Tagarchief: Nabokov

Nabokov Herlezen #4: ‘Gods’ en ‘A matter of chance’

Vrijdag 28 juli 2017
(Ja, een keertje op vrijdag. Hobbylezen en vaderschap: niet altijd even luchthartig te combineren. Ik heb u gewaarschuwd.)

Laat ik er maar niet omheen draaien: vandaag een volstrekt te missen verhaal én een eerste hoogstandje. Dat te missen verhaal heet ‘Gods’ (‘Goden’), Nabokov schreef het in oktober 1923 terwijl hij tevens werkte aan een toneelstuk, The Tragedy of Mr. Morn.

‘Gods’ is een poging groots drama te schetsen (echtpaar bezoekt graf van overleden kind), en dat dan voor het contrast beschreven in lyrische, extatische taal. De emotioneel complexe thematiek is te hoog gegrepen voor de jonge auteur, en het resultaat is pure kitsch (‘De hele nacht hebben de sterren met kinderstemmetjes geschreeuwd’), doortrokken van opzichtige dodenrijksymboliek (de ondergrondse! Beatrice!) en aangevuld met een flauwe parabel.

Geen enkele reden om dit te lezen, dus? Jawel, twee. Want bij mijn weten is dit het eerste verhaal waar een vlinder in voorkomt (de lepidopterologie was, naast de literatuur, Nabokovs andere grote liefde). Ik zou dat kunnen opzoeken in een boek als Nabokov’s Butterflies: Unpublished and Uncollected Writings, of in Nabokov’s Blues: The Scientific Odyssey of a Literary Genius, maar die boeken heb ik niet en ik hoef ze ook niet: mijn Nabokov-gekte kent grenzen. Laat mij maar de auteur zijn van een ander studieus werk: Nabokov’s Trains en dan nog een of andere stompzinnige ondertitel, want ja, ik ga het op deze plek nog vaak hebben over de rol van treinen in Nabokovs werk, en in ‘Gods’ komt de eerste voor, in één terloops zinnetje: ‘Herinner je je nog,’ zegt de verteller tegen zijn geliefde, ‘toen we op weg waren hiernaar toe, naar deze stad, hoe de bomen langs de ramen van de coupé liepen?’

Leesadvies: uitsluitend voor volledigheidsneuroten.

Maar dan! Ha! Het verhaal ‘Een kwestie van toeval’ (‘A matter of chance’) – daar gebeurt het, hoor! Vroeg in 1924 geschreven, in de zomer gepubliceerd in een Rigaans eclectisch blad, nadat zijn vaste stek Rul’ het geweigerd had omdat ze geen ‘anekdotes over cocaïnisten’ publiceerden. Haha.

Verhaal: de Russische emigrant Aleksej Lwowitsj Loezjin werkt als kelner op een Duitse trein. Zijn vrouw heeft hij in Rusland moeten achterlaten en hij heeft geen hoop meer haar ooit nog te zien. Hij verdooft én vergiftigt zijn brein met cocaïne en op een dag weet hij het zeker: zodra zijn dienst aan boord van de trein voorbij is, zal hij zichzelf van kant maken (Nabokov’s Suicides – ook dat zou een pittig naslagwerkje kunnen worden, zie onder meer het vorige week besproken verhaal ‘Een slag van de vleugel’). Wat hij niet weet is dat zijn vrouw, die eindelijk uit Rusland heeft weten weg te komen, zich aan boord van diezelfde trein bevindt. Ze hadden elkaar kunnen treffen – maar het gebeurt niet.

Waarom is dit zo’n verrekte interessant verhaal? Nou, allereerst vanwege die naam Loezjin. Zo heet ook het hoofdpersonage van Nabokov’s derde roman, The Defense, over een gekweld schaakmeester die aan het einde van het boek zelfmoord pleegt. Volgens Brian Boyd’s Vladimir Nabokov: The Russian Years bestaat er een onvoltooid oerverhaal waar zowel The Defense als ‘A matter of chance’ uit voortkomen.

Maar het idee van een langverwachte echtgenote die vanuit Rusland per trein naar Duitsland komt, en een weerzien dat nét niet plaatsvindt, is ook het grondgegeven van Nabokovs debuutroman Masjenka.

O, en over treinen gesproken: dit hele verhaal speelt zich dus aan boord van een trein af! En Loezjin heeft heel precies uitgedacht hoe de trein hem gaat helpen zelfmoord te plegen: ‘Hij berekende elk klein detail, alsof hij een schaakprobleem ontwierp. In de loop van de nacht wilde hij op een bepaald station uitstappen, naar het eind van het stilstaande rijtuig lopen en zijn hoofd tegen het schildachtig uiteinde van het stootkussen leggen op het moment dat er een andere wagon aankwam die gekoppeld moest worden. De buffers zouden tegen elkaar slaan. Tussen hun uiteinden zou zich zijn gebogen hoofd bevinden. Het zou uiteenspetten al een zeepbel en opgaan in iriserende lucht.’

Magistraal. (En ja: een schaakprobleem!)

Trouwens, misschien is het geen toeval dat treinen ook in het werk van de door Nabokov zeer bewonderde Tolstoj zo’n prominente rol spelen. Denk aan de novelle De Kreutzersonate en natuurlijk ook aan de trein waar Anna Karenina zichzelf voor werpt in de naar haar vernoemde roman. Zelfmoord, ja. God, als ik zou willen promoveren, dan zou het op Nabokov-Tolstoj-treinen-zelfmoord zijn…

Enfin. Dat is allemaal leuk en aardig voor de liefhebber, maar waar iederéén van kan genieten, is het loutere feit dat dit verhaal zo verrekte goed geschreven is. Dat zie je aan de precisie van die hierboven beschreven zelfmoordfantasie, en vooral aan de effecten van de cocaïne die zo goed zijn weergegeven dat ze de lezer (deze lezer althans) doen huiveren: ‘de kleine zweertjes in zijn neusgaten vraten het tussenschot weg’, maar ook instemmend doen knikken: ‘gretig bracht hij het naar zijn ene neusgat, toen naar het andere, snoof diep, likte met vlugge tong het glinsterende stof van zijn nagel, knipperde een paar keer fel met zijn ogen vanwege de rubberen bitterheid en verliet het toilet, roezig en welgemoed, terwijl zijn hoofd zich vulde met heerlijke ijskoude lucht.’

Godverdomme, dit is schrijven, mensen.

In de komende afleveringen van deze serie volgt nog een hele rits korte verhalen, maar ook het hierboven al aangestipte toneelstuk The Tragedy of Mr. Morn, enkele aanvullende observaties m.b.t. Masjenka, en in de verte lonkt de Tweede Roman, King, Queen, Knave. Ja, het wordt een dolle zomer…

Nabokov Herlezen #3: ‘Wingstroke’

Woensdag 19 juli 2017
Ik denk dat ‘Wingstroke’ (‘Een slag van de vleugel’) een van de eerste ‘gecodeerde’ verhalen is die Nabokov schreef, in oktober 1923 om precies te zijn, en hij publiceerde het in januari 1924 in het emigrantenblad Russkoye Ekho (De Russische Echo). Gecodeerd, omdat de tekst zoveel opzichtige onduidelijkheden bevat en vragen oproept.

Een man genaamd Kern zoekt afleiding in een ski-resort nadat zijn vrouw, die hem bedroog, zelfmoord heeft gepleegd. Hij raakt gecharmeerd van een Engelse schone genaamd Isabel, maar die laat zich liever verleiden door allerhande knappe knullen waar het van wemelt in dat oord. Tot zover een klip en klaar relaas.

Kern zoekt afleiding in een drinkgelag met een obscure figuur genaamd Monfiori. Hij denkt erover zelfmoord te plegen, maar kan met zijn dronken kop de verleiding niet weerstaan Isabels kamer binnen te gaan (ze heeft de sleutel aan de buitenkant in het slot laten zitten). Als hij binnen is, vlucht ze weg en op dat moment komt er door het openstaande raam een stinkende engel binnengevlogen. Kern rent naar zijn eigen kamer om zijn pistool te halen, maar bij terugkeer is de engel verdwenen.

De volgende dag verongelukt Isabel tijdens een ski-stunt. Gestraft door de engel, via een slag van diens vleugel?

De eerste reactie op dit lange verhaal zal er bij de meeste lezers waarschijnlijk een van verbijstering zijn (bij mij wel), of misschien wel ergernis (ook een beetje ja,): wat wil je nou, man? Wat moet ik hiermee?

Het enige wat dan helpt, is herlezen. Rustig alles nog eens nalopen, en verdomd, dan beginnen er dingen op te vallen. Dat er nogal gul met christelijke symboliek gestrooid wordt, bijvoorbeeld. Meteen al in die eerste zin: ‘Wanneer de gebogen punt van de ene ski over de andere gaat,’ staat er weliswaar in het Nederlands, maar in het Engels lees ik: ‘When the curved tip of one ski crosses the other’ en dan blijft mijn oog haken aan dat woord ‘crosses’ (het verhaal is trouwens oorspronkelijk in het Russisch geschreven, maar dat kan ik niet lezen – misschien zoek ik er nu te veel achter). Verder is er Monfiori’s fascinatie voor het Bijbelboek Job, Kerns huwelijk met zijn overleden vrouw duurde zeven jaren, Isabel zou naar Jezebel kunnen verwijzen, er is een discussie over God (‘een gasvormig gewerveld dier’) en er komen nogal wat druiven voorbij (in de iconografie het symbool voor het Laatste Avondmaal), en trouwens niet alleen druiven: op zeker moment bestelt Kern een avondmaal bestaande uit ‘koude rosbief, druiven en een fles Chianti’. Voor de liefhebbers van het lichaam en het bloed van Jezus.

En dan is er natuurlijk die engel. En helemaal op het eind wordt het spel met die ski’s uit het begin alsnog expliciet: ‘Met een zacht fluitend geluid scheerde ze de schans af, vloog omhoog, hing bewegingloos in de lucht, gekruisigd.’

En dan?

Die Monfiori is een raadselachtige figuur. Hij suggereert homoseksueel te zijn (over Isabel zegt hij: ‘Zij is een vrouw. En ik heb andere voorkeuren.’). Hij lijkt Kern ook te willen ‘verleiden’ tot dat rare drinkgelag, die ‘Bacchustoer’, en aan het eind van het verhaal lijkt hij in zijn opzet geslaagd: hij vertrekt samen met Kern naar diens kamer.

Maar dat is niet het punt, denk ik. Monfiori wordt als een nogal duivels kereltje beschreven, ‘spitse oren’, ‘geitenogen’, die obsessie met Job, de manier waarop hij Kern tot dat drinkgelag (de zonde) verleidt, en dan zijn reactie wanneer Kern bekent zelfmoord te willen plegen: ‘Ik zoek overal naar types als u – in dure hotels, in treinen, in badplaatsen, ’s nachts op de kades van grote steden.’ Hij zoekt dus naar mensen die wanhopig zijn en dan verleidt hij hen tot zondige daden. Zelfmoord?

Misschien, maar ik denk eigenlijk dat Kern een moord pleegt. De moord op Isabel. Verleid door de duivel, die hem dronken voert. Zij is De Onschuldige, die verkeert met engelen – en die gekruisigd wordt op het einde.

Wat Kern doet, is op Isabel de woede over het overspel van zijn vrouw ‘projecteren’. Isabel verkiest óók andere mannen boven Kern en is daarmee een ‘zondige’ vrouw (een Jezebel). Door haar te vermoorden neemt Kern alsnog symbolisch wraak op zijn vrouw. Dat is wat er op het einde gebeurt, en dat is waarom Kern als een waanzinnige begint te lachen onderweg terug naar zijn hotelkamer.

Denk ik.

Dat ‘projecteren’ klinkt natuurlijk erg freudiaans, zoals ook Monfiori’s voorkeur voor het biljartspel ernstig freudiaans overkomt. Nabokov was een groot hater van Freud, hij liet geen gelegenheid onbenut om de ‘Viennese quack’ te bespotten. Maar misschien dat hij in zijn vroegste verhalen toch de verleiding niet heeft kunnen weerstaan een beetje te spelen met freudiaanse beelden en principes.

Dat is trouwens wel een beetje mijn algemene indruk van dit verhaal en de veelheid van symbolen die erin voorbij flitsen: er lijkt geen zorgvuldige constructie achter schuil te gaan. Het lijkt wel alsof Nabokov vooral wil doen alsof er heel veel betekenis achter dit verhaal schuilgaat door raadsels uit te zetten waar geen oplossing voor is. Dat is in zijn latere werk wel anders… Snel verder dus – tot volgende week!

 

Nabokov Herlezen (#2): ‘Russian spoken here’ en ‘Sounds’

De sigarenwinkel uit de film Smoke (1995).
De sigarenwinkel uit de film Smoke (1995).

In dit rubriekje zullen op den duur zeker ook de romans van Nabokov ter sprake komen, maar ongeveer  20 van de 52 verhalen in de Collected Stories schreef hij nog vóór de verschijning van zijn debuutroman Mary (Masjenka). Daarom zal ik me voorlopig op die verhalen richten. Vandaag bespreek ik er twee, uit 1923.

In het verhaal ‘Hier spreekt men Russisch’ (‘Russian spoken here’) spelen een sigarenhandelaar en zijn zoon Petja eigen rechter: ze nemen een GPOE-man/tsjekist (wat later KGB is gaan heten) gevangen. In hun badkamer maken ze een cel voor hem. Ze veroordelen hem tot levenslang. Bij het vonnis krijgt de man te horen ‘dat er maar één geval was waarin hij amnestie zou krijgen. En wel: hij zou vrijgelaten worden op de dag dat het met de bolsjewieken gedaan zou zijn.’

Tot de verschijning van de postume Collected Stories-uitgave is dit verhaal, waarschijnlijk vroeg in 1923 geschreven, ongepubliceerd gebleven. Kreeg Nabokov het destijds niet gesleten? En vond hij het later in zijn leven, toen hij zijn oude verhalen in ‘dozens’ van dertien verhalen per keer uitgaf, niet goed genoeg?

Dat lijkt me toch sterk. ‘Hier spreekt men Russisch’ is eigenlijk het tegenovergestelde van het vorige week besproken ‘Geestendom’. Waar dat verhaal zwak was, met hier en daar een glimpje van latere kunde, is ‘Hier spreekt men Russisch’ een sterk en strak verhaal, met hier en daar een kleine zwakte.

Er is actie, er is een plot, er is een spanningsboog. Er zit ook humor in en een aangenaam lichte verteltrant, terwijl er toch een vrij akelig relaas wordt ontvouwd. En precies op dat punt krijgen we een thema te zien dat nog vaak zal terugkeren in de geschriften van Nabokov, al is het in dit geval op een vreemde manier. De sympathieke sigarenhandelaar Martyn Martynytsj en diens zoon Petja blijken namelijk uiteindelijk, voor wie er oog voor heeft, wrede mensen. Voor wie er oog voor heeft, schrijf ik, en hier dreigt een discussie over ‘de intentie van de auteur’, want wilde Nabokov ons lezers inderdaad doen beseffen dat het gedrag van vader en zoon te ver gaat? Of wilde hij de lezer slechts vermaken met een relaas over het terugpakken van een bolsjewiek/GPOE-man? Of is het verhaal, zoals Andrea Pitzer suggereert in The Secret History of Vladimir Nabokov, een vorm van wensdenken, de botviering van een wraakzuchtige fantasie?

Het doet er niet toe. Nabokov is dood, we zullen het nooit weten. Wat ertoe doet, is wat wij lezen – en wat ik hier lees, is hoe twee mensen met begrijpelijke, invoelbare bedoelingen tóch over de schreef van het toelaatbare gaan, en dat is eigenlijk altijd iets fascinerends om over te lezen.

De stilist Nabokov groeit, in dit verhaal. Erg mooi vind ik de beschrijving van de etalage van de sigarenwinkel. Daarin liggen ‘in hun lichte kistjes rijen sigaren te grijnzen.’ Dit is fantastisch schrijven. Geen voor de hand liggende vergelijking in de trant van: ‘de rijen sigaren deden denken aan bruin geworden tanden’, nee, hij laat die overeenkomst met een rij tanden helemaal weg en suggeréért die slechts, met dat ene woord ‘grijnzen’.

Een ander mooi detail: de sinaasappel in de beschrijving van de cel waarin de GPOE-man gevangen zit: ‘Aan de linkerwand glansde een spiegel… Op een tafeltje naast het bad lagen boeken, blonk een schoteltje met een geschilde sinaasappel, en stond een ongeopend flesje bier.’ Zo’n prachtig alledaags detail in zo’n bizarre setting: ja, daar kun je mij voor wakker maken, hoor.

(Tot slot: afgelopen maandag schreef ik in mijn column voor Vrij Nederland over rookwaren in culturele uitingen, en wat daarvan moet worden nu tabak op steeds meer plekken verboden wordt. Ik noemde daar het voorbeeld van de film Smoke, die zich in een sigarenwinkel afspeelt, maar dit verhaal van Nabokov had net zo goed gekund.)

Ook de hoofdfiguur van het verhaal ‘Geluiden’ (‘Sounds’, eveneens uit 1923) vertoont wrede trekken. Een jongeman is hij vermoedelijk, verwikkeld in een liaison met een getrouwde vrouw. Samen bezoeken ze een sukkelige kennis, Pal Palytsj. Na het bezoek blijkt de minnares van onze jongeman haar sigarettenpijpje vergeten te zijn bij Pal Palytsj thuis. De jongeman keert terug en treft Palytsj in tranen.

Waarom? Het zal wel iets met die vrouw te maken hebben, maar het kan de verteller weinig schelen. Op de terugweg overdenkt hij: ‘Ik voelde dat ik had gebaad in andermans leed, dat ik glansde door andermans tranen.’ Terug bij zijn geliefde vertelt zij dat ze besloten heeft haar man voor hem te verlaten. Maar dat blijkt helemaal niet de bedoeling van de jongeman: ‘Ik onderbrak jou met mijn zwijgen. [...] Wat kon ik tegen je zeggen? Kon ik me beroepen op vrijheid, gevangenschap, zeggen dat ik niet genoeg van je hield?’

De affaire is ten einde, en daarmee ook het verhaal.

Hier is de jonge Nabokov bezig zijn expressionistische vermogen uit te testen en dat pakt niet overal even goed uit, naar mijn smaak. Anders gezegd: hij slaat nogal door in zijn lyriek. Albums met bladmuziek worden ‘fluwelen doodkisten’, maar dat is een vergelijking puur op vorm, niet op inhoud of op gecodeerde betekenis. Je ziet ook aan de tekst af dat Nabokov absoluut niet van muziek hield: zijn beschrijvingen ervan klinken vals, onkundig. Verder stuiten we op een hoop holistisch geneuzel: ‘En toen ik me diep in mezelf terugtrok leek de hele wereld me zo – homogeen, congruent, verbonden door de wetten der harmonie. [...] Alles was één, gelijkwaardig, goddelijk.’

Het lijkt alsof de jonge Nabokov pas echt goed wordt wanneer hij minder fraaie beelden presenteert. Over Pal Palytsj schrijft hij bijvoorbeeld: ‘Zijn gezicht zag eruit alsof het van boterachtige boetseerklei was gemaakt’, en de man spreekt ‘licht stotterend bij de labialen’ – niet bij de harde dentalen, maar bij de zachte labialen: op een of andere manier vind ik dat heel goed bij dat boterachtige boetseerklei-gezicht passen.

Sterk in het verhaal is ook hoe Nabokov een patroon van terugkerende en met elkaar samenhangende beelden introduceert: zonlicht na regen zorgt voor ‘lange gouden druppels’; er komt een presse-papier voorbij waarvan de glazen bol een miniatuur bevat van ‘de Izaäk-kathedraal bespikkeld met gouden zandkorrels’; later op de dag ‘had de zon haar hete oker rondgespat’; er komt een fox-terriër langs, die op haar rug rolt ‘waardoor haar roze, met grijze landkaartachtige vlekken bespikkelde buikje zichtbaar werd’; en weer later gaat het over ‘de zonnevlekken op je jurk’. En zo ontstaat een patroon van kleurrijke spikkels en vlekken, als op een pointillistisch schilderij.

Dan beginnen sommige van die zweverige uitspraken op hun plek te vallen. Ergens meldt de hoofdfiguur: ‘Ik had de gewaarwording dat ik in een miljoen wezens en voorwerpen versplinterd was. Nu ben ik een geheel; morgen zal ik opnieuw versplinteren.’ Voor mij is dat een treffende omschrijving van het gevoel van gelukzaligheid. Kortdurend ervaar je de wereld als eenheid, daarna raakt alles weer gefragmenteerd, bestaat de wereld weer uit losse onderdelen, splinters.

Vlekken, spikkels: eventjes vormen ze een patroon, een eenheid, een verhaal. Daarna zijn het gewoon weer vlekken en spikkels.

Nabokov Herlezen (#1): ‘Geestendom’

Blogger Jim Tierney heeft bij wijze van hobby-projectje een aantal illustraties gemaakt bij korte verhalen van Nabokov.

Over Nabokovs eerste gepubliceerde verhaal schreef ik vorige week in De Morgen dat het een ‘kinderlijk sprookje’ is, ‘mislukt eigenlijk’.

Misschien moet ik dat op deze plek wat nader toelichten. Want waar gaat ‘Geestendom’ (‘The Wood-Sprite’) uit 1921 over? Een uit Rusland verjaagde bosgeest raakt verzeild in Berlijn bij de verteller van het verhaal (een schrijver? hij heeft een inktpot op tafel staan, waarover later meer). Vanaf dat moment gebeurt er eigenlijk niets: de bosgeest gaat zitten en begint over zijn ervaringen te vertellen, en dan ineens is hij weg. Heeft de schrijver gehallucineerd?

Inderdaad wel een erg dun verhaaltje. Dun is ook de symboliek: de bosgeest staat natuurlijk voor bloei, voor de levendigheid van het oude Rusland, en sinds de Revolutie is er alleen nog maar dood en verderf – er worden complete wouden gekapt. Wouden, mensenmassa’s, voelt u ‘m? Het ligt er allemaal nogal dik bovenop, vooral ook dat expliciete treuren om het verloren vaderland.

Maar zelfs in dit zeer vroege verhaaltje zie je embryonale aspecten van Nabokovs latere stijl. Zijn gevoeligheid voor kleur, bijvoorbeeld. Groen is bij Nabokov nooit zomaar groen, maar (in dit verhaal): ‘rookgroen’ of ‘sappig-groen’, grijs is niet grijs maar ‘mosgrijs’, zilver niet zilver maar ‘bleek-zilver’, rood niet rood maar ‘bessenrood’.

Leuk is ook dat de bosgeest de verteller vroeger weleens in het bos heeft aangetroffen, ‘jij en een wit jurkje’. Een mooie synecdoche – een stijlfiguur die Nabokov later ook veelvuldig zal toepassen. Kortom, zelfs hier valt iets te halen.

Nog even over die inktpot. Het verhaal begint ermee: ‘Ik trok nadenkend met de pen de ronde trillende schaduw van mijn inktpot na.’

Die zin doet mij nu, bij herlezing, denken aan een verhaal van de hedendaagse Russische schrijver Michaïl Sjisjkin. Eind vorig jaar traden we samen op tijdens een avond gewijd aan korte verhalen, in Brussel. Sjisjkin las in het Russisch, op een scherm achter hem werd een Engelse vertaling geprojecteerd.

Het verhaal dat hij voordroeg heette ‘Nabokovs inktpot’. Een autobiografische tekst die zich zo ongeveer halverwege de jaren negentig afspeelt. De schrijver is in Zwitserland verzeild geraakt, leeft in armoede, kan geen cadeautjes kopen voor zijn vrouw en kind, die beide binnenkort jarig zijn.

Hij neemt een klus aan als tolk voor een rijke Rus die Zwitserland bezoekt. De man, Kovaljov geheten, is een walgelijk nouveau riche-type,  de schrijver kent hem bovendien van vroeger, toen Kovaljov een hoge positie bekleedde binnen de communistische jongerenorganisatie Komsomol. Zo’n figuur die met alle winden meewaait, communisme of kapitalisme, het maakt niet uit. Nu wil Kovaljov Montreux bezoeken, specifieker: het Montreux Palace-hotel, om daar te overnachten in de kamer die Nabokov huurde in de laatste jaren van zijn leven.

‘De voorkeur,’ zegt de schrijver, ‘van mijn oude kennis voor Nabokov rijmde niet met zijn Komsomol-verleden en ook niet met zijn heden als zakenman. [...] Destijds, in onze jonge jaren, gaven we Nabokov stiekem aan elkaar door. We voelden ons een door barbaren vervolgde sekte, en zijn boeken waren onze geheime schat. Bij Nabokov liep toen de grens tussen ons en de anderen. Kovaljov was een van de anderen. En nu nam hij me mee naar Montreux.’

De hotelkamer bevalt niet. ‘Hoe heeft hij het hier kunnen uithouden?’ verzucht Kovaljov. De schrijver vervolgt zijn verschrikkelijke relaas: ‘Er hingen oude foto’s van Nabokov aan de wanden, en Kovaljov wilde elke foto opnieuw in scène zetten. [Hij] wilde ook per se achter Nabokovs bureau gefotografeerd worden. Voor het eerst dacht ik: wat goed dat hij dood is.’

Kortom: de schrijver moet met lede ogen aanzien hoe een proleet datgene bezoedelt wat voor hem heilig is.

Lees dat verhaal, het is prachtig en het is schrijnend.

Tot slot: wat vindt u van Nabokovs ‘Geestendom’? Discussieer mee. Ik zit  op Twitter, zullen we daar #NabokovHerlezen gebruiken? Ik zit niet op Facebook, maar ik kan er wel op gluren – zelfde hashtag? Een ouderwetse mail sturen kan natuurlijk ook. Reacties op deze site plaatsen kan niet – de hoeveelheid deuken die mijn vertrouwen in de mensheid bereid is op te lopen, is beperkt, namelijk. Tot volgende week!