Alle berichten van Jamal Ouariachi

“Een honger” bekroond met European Union Prize for Literature

EenHongerCoverEen honger is vandaag bekroond met de European Union Prize for Literature, een prijs voor nieuw en aanstormend literair talent uit Europa. De jury noemt de roman “the most courageous one in Dutch literature in decades”. Lees hier meer over de prijs, en hier het volledige juryrapport plus een verzameling fragmenten uit de winnende boeken uit de diverse Europese landen.

Een honger won eerder de BNG Literatuurprijs. De pers schreef over het boek:

“Literair spektakel.”
***** Het Parool

“Een beest van een boek.”
***** AD

“De mooiste pagina’s over de liefde die we in jaren lazen.”
****1/2 De Morgen

“Een Max Havelaar van ons tijdsgewricht.”
**** NRC Handelsblad

“Na Vertedering levert Ouariachi opnieuw een weergaloze roman af.”
***** De Telegraaf

“Een hoogtepunt in de Nederlandse literatuur van dit moment.”
***** Noordhollands Dagblad

“Een honger is het werk van een rasverteller. Niet te missen.”
**** De Standaard

“Een liefdesverhaal van een grootsheid en een tragiek die zelden vertoond is.”
***** Dagblad De Limburger

“Spannend, hyperintelligent, en helder als een verliefdheid.”
HUMO

“Een wonder van verbeelding en empathie.”
HP/De Tijd

Jaar 1 (#21)

Vrijdag 21 april 2017
F en ik drinken ’s avonds champagne en eten de lekkerste sushi van de stad omdat vandaag bekend is geworden dat ik de European Union Prize for Literature heb gewonnen voor Een honger.

Sushi blijkt een gouden vondst. Tot nu toe is ons avondmaal bijna elke keer verpest door J’s huilen. Alsof ze het wéét: ha, de warme geur van eten, laat ik eens een keel opzetten! Misschien loopt het water haar in de mond, misschien zou ze best wat ander voedsel dan melk lusten, wie weet – ik weet het niet. Wel weet ik dat als ze eenmaal getroost is, al dan niet met melk, ons eigen eten is afgekoeld.

Sushi is bestendig tegen haar huilbuien, want koud. Probleem opgelost.

Wat onthoudt zij hier zelf van, van dit soort avonden?

Niets. Ze zal vergeten. Ze is drie weken oud, en er is al zo oneindig veel gebeurd, dat ook ik alweer dingen begin te vergeten. Haar leven is nog maar net begonnen en het grote verdwijnen begint al. Ik vergeet steeds meer terwijl zij steeds meer zal onthouden. Voorlopig heb ik een voorsprong: de taal. Ik kan vastleggen, zij nog niet. Dit schrijven is eigenlijk geen vrije keuze – ik ben het aan J verplicht.

Jaar 1 (#20)

Donderdag 20 april 2017
Toetsbare hypothesen, daar moet ik naar op zoek. Wat kan ik weten van J’s bewustzijn? Laat ik beginnen met dat wat ik kan zien: gedrag. Twee dagen terug had ik het over Thomas Nagel en zijn essay ‘What Is It Like To Be a Bat?’ Hij sluit dat af met een mooie metafoor om te illustreren dat we nog niet over de kennis beschikken om te begrijpen hoe het fysieke lichaam en brein kunnen leiden tot de subjectieve ervaring van bewustzijn. Hij beschrijft daartoe iemand die geen enkele kennis heeft over metamorfose en die nietsvermoedend een rups in een afgesloten doosje stopt. Weken later maakt hij het doosje open en treft een vlinder aan. Rara hoe kan dat? Diegene kan daar allerlei theorieën over vormen (zomaar een verkeerde gok: er zat een parasiet in de rups, die de rups heeft opgegeten en die vervolgens zelf is uitgegroeid tot de vlinder!). Maar hoe het kan: geen idee.

Als ik ook maar in de buurt wil komen van de miniemste gegevens over J’s bewustzijn, dan moet ik observeren. Beginnen met de feiten. Het nadenken komt later. Kijken – naar haar – en lezen – over het menselijk bewustzijn -, dat is voorlopig mijn taak.

Op het eerste oog lijkt ze nog niet te leren op de Pavlov-wijze (klassieke conditionering), noch op de wijze zoals beschreven door Thorndike en Skinner (operante conditionering). De geluiden van het klaarmaken van een fles (Pavlov) stellen haar althans niet gerust, ze blijft driftig huilen tot ze de speen van de fles tussen haar lippen heeft – dan pas wordt ze stil, onmiddellijk. En ik kan haar nog geen kunstjes leren (Skinner).

Wat leert ze wel? Rustig te worden van een stem, heel soms, als ik er zelf heel erg van overtuigd ben dat alles in orde is, zo heb ik de indruk. Misschien is die indruk vals. Ze lijkt ook wat kalmer tijdens het verschonen, het aankleden. Alsof ze inmiddels wel weet dat ze daar niet bang voor hoeft te zijn.

Toch iets geleerd.

Jaar 1 (#19)

Woensdag 19 april 2017
Onze collectie babyboeken blijkt hoofdzakelijk een prenataal karakter te hebben: tijdens de zwangerschap hebben F en ik onze in de buik verstopte vrucht van week tot week kunnen volgen in haar ontwikkeling, maar sinds ze geboren is en wij haar kunnen zien, is er minder materiaal beschikbaar in huis. Online ga ik op zoek naar bruikbare opvoedboeken.

F heeft van vriendinnen gehoord dat, ondanks de afgrijselijke titel, het boek Buskruit met muisjes niet onaardig is. Ik lees de tekst op de achterflap en wil mezelf ter plekke van kant maken. ‘Met een lichaam vol hormonen, kraamtranen van geluk, enorme borsten en eventueel bevallingsleed, kun je best wat tips en tricks gebruiken. Je moeder is het waarschijnlijk allemaal allang vergeten en je zus of beste vriendin durft misschien geen ongevraagd advies te geven. [...] En je partner? Ja, niet om het een of ander, maar die zit er toch niet op te wachten om een boek te lezen over bevallingen, baby’s en hormonen? Voor hem staat alleen het broodnodige in blauwe kaders, zodat hij niet helemaal onvoorbereid zal zijn.’

Deze attitude van veel Nederlandse wijven. Dat kwebbelige parttime-geleuter. Er van tevoren alvast vanuit gaan dat mannen hopeloze imbecielen zijn die niks met baby’s en opvoeding te maken willen hebben. Rááázend word ik ervan. Vrouwen die dit soort stront schrijven accepteren dus gewoon dat er nooit iets verandert in de verhouding tussen de seksen, en via dat gezellige Prénatal-toontje proberen ze anderen te infecteren met die zieke overtuiging.

Dit boek ga ik dus nóóit kopen en wie het mij cadeau doet, mag het einde van de vriendschap alvast incalculeren.

Ik bekijk nog een paar opvoedboeken, allemaal hetzelfde geneuzel.

Ergens in een kist op mijn werkkamer ligt nog het leerboek kinderpsychologie dat ik tijdens mijn propedeuse gebruikte. Nogal een droge opsomming van wetenschappelijk onderzoek, voor zover ik me herinner, maar alles beter dan de tot suïcide motiverende gezelligheid van de opvoedboeken voor consumenten.

Jaar 1 (#18)

Dinsdag 18 april 2017
Af en toe kijkt ze me lang en indringend aan. Het is zo’n babyblik waarvan de mensen zeggen: wat zou er in dat koppie omgaan? (We zeggen dat ook wel eens van dieren.) Je kunt duizend boeken lezen over hoe baby’s functioneren, maar op die vraag komt nooit een antwoord. Tegen de tijd dat we het aan J zouden kunnen vragen, is ze het zelf alweer vergeten. Hoe het is. Om haar te zijn. Als baby.

De filosoof Thomas Nagel publiceerde in 1974 zijn beroemd geworden essay ‘What Is It Like To Be a Bat?’ Hij houdt zich daarin bezig met de lastige kwestie hoe je wetenschappelijke kennis moet vergaren over de subjectieve ervaring: hoe het is om een bepaald wezen te zijn.

Hij gebruikt daarbij het voorbeeld van de vleermuis. Wetenschappers kunnen alle denkbare objectieve data verzamelen over hoe een vleermuis fysiologisch in elkaar zit, functioneert. Vleermuizen ‘zien’ bijvoorbeeld niet, ze nemen de wereld waar via echolocatie: ze zenden hoge geluiden uit en bepalen de vorm van de wereld om hen heen op basis van de terugkerende echo’s. Je zou het kunnen vergelijken met onze zinnen – zicht, reuk, gehoor – maar het is wezenlijk anders.

Dat vleermuizen op die manier waarnemen, kun je wetenschappelijk vaststellen en onderzoeken, maar hoe kunnen wij als mens weten hoe het is voor een vleermuis om zich zo door de wereld te bewegen? Ja, we kunnen onze verbeelding inzetten, we kunnen metaforen gebruiken, we kunnen vergelijkingen trekken: het waarnemen van de vleermuis zal waarschijnlijk heel erg lijken op hoe wij de wereld ‘zien’ of ‘horen’. Maar niet precies zo. Zoals Nagel het stelt: je kunt je voorstellen hoe het voor jou, vanuit je positie als mens, is om een vleermuis te zijn, maar niet hoe het voor de vleermuis is om een vleermuis te zijn.

Je kunt dit uitbreiden van het vleermuizenbewustzijn naar het mensenbewustzijn. Aan de werking van het menselijke zenuwstelsel valt ontstellend veel te ontdekken, maar alle objectieve informatie over de werking van hersencellen en de functie van neurotransmitters en hormonen, zegt niets over hoe het is om mens te zijn, hoe het is om over bewustzijn te beschikken – sterker nog, het zegt eigenlijk niets over wat bewustzijn is. Drieënveertig jaar (!) na Nagels essay zijn de wetenschappelijke onderzoeksmogelijkheden enorm uitgebreid, vooral dankzij de komst van hersenscanners, en dan met name de functionele MRI, waarmee een levend brein in actie geobserveerd kan worden zonder dat er in schedels gezaagd of gesneden hoeft te worden. Maar op het bewustzijnvraagstuk is nog niet het begin van een bevredigend antwoord geformuleerd. Voor zover ik weet. Daar zou mijn onderzoek zich de komende tijd op moeten richten.

Onze baby. Ze heeft nog geen taal – maar heeft ze concepten? Ik kan het niet vragen, net zo min als ik kan vragen of haar pijn, begeleid door huilen, een puur mechanische reactie op een fysieke staat is, of een uiting van daadwerkelijk menselijk lijden. Wanneer wordt een neurale impuls een ervaring?

Net zo min als we kunnen weten hoe het is om een vleermuis te zijn, kunnen we weten hoe het is om een mensenbaby te zijn. We zijn het allemaal geweest, baby, maar we kunnen ons er niks van herinneren. En de mensen die nu baby zijn, kunnen niet over hun ervaring communiceren, omdat ze nog niet kunnen praten. Tegen de tijd dat ze dat wel kunnen, zijn ze vergeten wat ze wilden zeggen.

Mijn dochter, die ik elke dag meemaak, en elke dag beter leer kennen, kan mij niets vertellen over hoe het is om haar te zijn. Ze is een vleermuis voor mij. En dat zal ze voorlopig blijven, tenzij er vanuit wetenschappelijke hoek een manier wordt gevonden om een babybewustzijn ‘uit te lezen’. Ik heb vermoedens en aanwijzingen dat de diverse takken van wetenschap die zich met het bewustzijn bezighouden, zich eindelijk, en steeds meer, in die richting bewegen. Daar wil ik dan ook met mijn eigen onderzoekingen terecht zien te komen, maar daar moet nogal wat voorbereidend werk aan vooraf gaan. We zullen zien, de komende tijd…

Jaar 1 (#17)

Maandag 17 april 2017
Nadeel, voordeel. Nadeel: ik heb uren gedaan over het lezen van een slechts tien pagina’s tellend essay van Teju Cole, want tussendoor moest er gevoed, getroost, verschoond en in bed gelegd worden, en bij het ontwaken de hele cyclus nogmaals. Voordeel: omdat ik na elke onderbreking weer één of twee alinea’s van het eerder gelezene herlas, heb ik de tekst van het essay bijzonder goed in me opgenomen, denk ik. Hoe zal ik mij over vijf jaar de boeken herinneren die ik in deze periode lees? Anders dan de boeken uit andere periodes? Beter?

In het boek van Luiselli ben ik ook nog steeds bezig. Het is fragmentarisch geschreven, ik lees het fragmentarisch. Geregeld erger ik me eraan, maar het boeit me ook, het bevalt me misschien zelfs wel. Die ergernis: terecht, omdat er zulke beroerde passages in staan? Of is het de ergernis die voortkomt uit de confrontatie met iets nieuws, iets onbekends? Er moet het een en ander overwonnen worden.

Ik ontleen hieraan het verder nergens op gebaseerde vertrouwen dat het met deze aantekeningen ook wel goed komt. Ik erger me eraan, ben voortdurend aan het herschrijven vol verbijstering: hoe kan ik dit gisteren nou acceptabel hebben gevonden? Ik ontleen aan de onzekerheid het vertrouwen om door te gaan. Dat is dan toch de professionele ervaring na het schrijven van vier romans en een verhalenbundel: weten dat onzekerheid gezond is. Ertegen bestand zijn. De onzekerheid verdragen. De onzekerheid omhelzen. Niet weten waar je heen gaat betekent: onbekend terrein betreden. Dat is altijd goed.

Jaar 1 (#16)

Zondag 16 april 2017
Gisteravond was ik naar de opening van goede vriend A’s eerste solotentoonstelling. Een groots moment. ‘Voor mij,’ zei hij in de aanloop ernaartoe, ‘is het zoiets als wat jij met Een honger had. Een enorme mijlpaal. Een kunstwerk waarin alles wat je tot op dat moment in jezelf hebt opgebouwd, tot uitdrukking komt.’ Hij bleek gelijk te hebben. Het werk was fenomenaal.

Een gerenommeerde galerie in De Pijp. Het was er stervensdruk. Zijn ouders waren er, ik feliciteerde ze met hun kleinzoon, zij mij met mijn dochter. Mijn eigen ouders waren er ook. Het schoolplein herleefde. Ik zag oude bekenden en drommen artistieke figuren, mij onbekend, die het wonder kwamen aanschouwen. En een wonder was het.

Maar toen de bijbehorende performance voorbij was, en ik een paar beleefdheidspraatjes had gemaakt, wist ik niet hoe snel ik weg moest komen. Op elk ander moment in mijn leven zou ik tot diep in de nacht zijn gebleven, had ik tot vroeg in de ochtend mee gefeest. Nu wilde ik zo snel mogelijk terug naar mijn twee weken oude meisje en haar moeder: mijn vrouwen.

Een vreemde gewaarwording om in tram 3 terug naar huis te zitten. Ik bekeek mezelf in de spiegeling van de ruit. Een ander zou niets vreemds aan me zien, en als ik mezelf zo bekeek, zag ik dezelfde man als altijd. Alsof er niets veranderd was. Ik kon dat kortstondig spelen, daar in die tram: dat mijn oude leven nog steeds bestond. Maar het spel beviel me absoluut niet. Ik bekeek mezelf opnieuw in de spiegeling en wist: hier zit een jonge vader, verliefd op het leven.

Verliefd zijn is niet alleen maar leuk. Thuis wachtte de storm, thuis moest ik de beslissingsbevoegdheid over de indeling van mijn leven weer inleveren, me overgeven aan de grillen van een veel-, nee: alles-eisende baby. Zo van een afstand beschouwd was die storm nogal angstaanjagend, en toch kon ik niet wachten om mezelf er weer in te storten.

Jaar 1 (#15)

Zaterdag 15 april 2017
Vandaag voor het eerst een foto van haar op sociale media geplaatst: Instagram en Twitter. F postte de foto ook op haar Facebookpagina (zelf ben ik met Facebook gestopt, sinds twaalf zalige maanden). Zo’n foto met tekst, gedeeld met de wereld, is het geboortekaartje van de eenentwintigste eeuw.

Ik heb niet het idee dat we daarmee J’s privacy schenden, zo min als ik haar privacy schend met dit schrijven, denk ik, want ja, alle baby’s lijken nu eenmaal op elkaar. Ik wil maar zeggen: dat ze ’s nachts huilt omdat ze honger heeft, of dat ze poepluiers produceert – dat is allemaal geen unieke, intieme informatie. Maar er komt een dag dat ik mezelf daar toch eens over moet gaan bevragen. Wanneer? Vanaf wanneer heeft een mens recht op zoiets als privacy? Vanaf dag 1? Vanaf dag 100? 1000?

Dit alles hangt samen met de vraag: wat is de status van haar bewustzijn? Nee, ze begrijpt de wereld om haar heen nog niet – daar ben ik vrij zeker van. Maar ze is zich er wel van bewust, vaak. Bewustzijn in deze klomp cellen, die samen een klein mensje vormen, is: aandacht. Ze toont aandacht, ze toont soms zelfs begrip. Er is connectie van wezen tot wezen. Verrassing, schrik, onvrede of tevredenheid: tekenen van een menselijke geest, of een dierlijke geest die in rap tempo bezig is zich te ontwikkelen tot een menselijke.

Jaar 1 (#14)

Vrijdag 14 april 2017
Ze is nooit helemaal hetzelfde. Vandaag was ze hoofdzakelijk ernstig. Een tikje huilerig in de middag, later sliep ze urenlang, we hoopten op een voorspoedige avond, misschien een keer vroeg naar bed. Maar vanaf ongeveer half negen werd ze opnieuw huilerig. Nu pas, om 23.45 uur, heb ik haar eindelijk stil en in bed gekregen.

De moeizame slaap begint sporen te trekken. ‘Vandaag ben ik er even helemaal klaar mee,’ was mijn openingszin vanmiddag rond lunchtijd, toen ik in joggingbroek en zweterig overhemd het kraambezoek kwam verwelkomen. Net uit bed. Ik rook mezelf stinken. Oksels, adem, alles. Mijn lijf deed pijn, de vermoeidheid als lijm op elke spier gesmeerd.

Er klaar mee. Niet met het meisje, wel met die verneukte nachtrust. Ik ben chagrijnig, prikkelbaar, doodop, en ik weet niet waar het vandaan komt, maar toch smelt ik vele malen per dag van vertedering of barst ik in lachen uit om een grappig geluidje of een nieuwe gezichtsuitdrukking of een hartverscheurende oogopslag of om het simpele feit, dat telkens opnieuw beseft moet worden: dat ze er is. Mooi systeem, die evolutie.

Jaar 1 (#13)

Donderdag 13 april 2017
F en ik hebben, verspreid over 2 uur, zo’n 13 minuten gekeken van een aflevering van Designated Survivor. Daarna hebben we het maar opgegeven. De dagen zijn hectisch door het kraambezoek, de avonden zijn hectisch door J’s onrust. Daardoor kan het een vreemdsoortige opluchting zijn om diep in de nacht of tegen het ochtendgloren wakker te zijn. Als ze gevoed en verschoond is, was ik wat spullen af, eet iets, poets mijn tanden en staar uit het raam naar de nachtelijke stad. Al die mensen achter de ramen van de gebouwen: ze missen het spektakel. Hun wereld staat urenlang stil, maar de mijne wervelt voort.

Ik constateer het niet per se van harte. Liever zou ik ook slapen, maar het heeft iets magisch om hier te staan en in de stilte mijn geluk te beseffen. Nog mooier is het als de zon begint op te komen. Ooit haatte ik dat moment. Ik maakte het alleen mee na wilde nachten en die zonsopkomst betekende dat zo’n nacht voorbij was, en daarom werd ik er weemoedig van. Nu is de zon, die een nieuwe dag aankondigt, een heraut van ongekende avonturen. Wat is het leven spannend, deze dagen. Het is een van de dingen die ik me absoluut niet had voorgesteld bij het ouderschap: dat het zo spannend zou zijn.