Alle berichten van Jamal Ouariachi

Verzet

(Column voor Trouw, vrijdag 11 augustus 2017)

Wie op maandag, woensdag en vrijdag een column schrijft, zoals ik de afgelopen weken als vakantiekracht op deze plek deed, moet een beetje vloeken als er op woensdag breaking news is. Daar kun je dus pas in je column van vrijdag op reageren. De frustratie hierover is stompzinnig, zeker in tijden van internet. Want zelfs als je wél op donderdag een stukje had kunnen publiceren, zouden de sociale media en allerhande opiniewebsites je vele uren te snel af zijn geweest. Een column op papier komt in zekere zin altijd te laat.

Tegelijkertijd blijft nieuws langer vers dan je denkt. Het is helemaal niet erg om een dagje of meer op een onderwerp te kauwen. Je eerste reactie is altijd de meest voor de hand liggende. Soms loont het om te wachten, te twijfelen.

Toen het nieuws binnenkwam dat Jorge Zorreguieta was overleden, luidde mijn eerste reactie: mooi, opgeruimd staat netjes. Veel te oud geworden, die misdadiger. Later volgde: wat bezielde Willem-Alexander destijds toch, om het aan te leggen met de dochter van een junta-schoft? Die vraag bleef me bezighouden en veranderde nog eens later hierin: het kiezen van een geliefde behoort tot de weinige vrijheden die de leden van het Koninklijk Huis kennen.

Dat Beatrix voor een Duitser koos, zo kort na de oorlog, lag gevoelig. Dat wijlen prins Friso voor Mabel Wisse Smit koos, die bevriend was geweest met onderwereld-figuur Klaas Bruinsma (‘die wijf van die lange’), lag gevoelig. Dat Willem-Alexander voor de dochter van een foute Argentijn koos, lag gevoelig.

Hun mening mogen ze niet vrijelijk uiten, maar de liefde lijkt voor de Oranjes wel een daad van verzet tegen de heersende moraal. Dat vind ik sympathiek.

Nou, leuk voor je, Ouariachi, maar zo slecht hebben die Oranjes het anders niet. Voor al hun rijkdom is het offer van de vrijheid toch niet zo’n hoge prijs?

Ik betwijfel het, zeker als ik denk aan de drie dochters van het koninklijke paar. Alleen al het feit dat ze er van jongs af aan mee hebben moeten leren leven dat er in elke struik misschien een sluipschutter of een plaatjesschieter van De Telegraaf verscholen kan liggen – droevig!

Ik vind het idee van een koningshuis nog altijd volstrekt belachelijk en potentieel gevaarlijk. Maar als een democratisch gekozen regering jaar na jaar besluit het koningshuis ongemoeid te laten, heb je je daar bij neer te leggen.

En ondanks je bezwaren tegen het systeem kun je dan toch de nodige sympathie voelen voor de stakkers die onderdeel uitmaken van dat systeem en die nooit het voorrecht zullen smaken om zonder enige beperking hun vrije woord neer te mogen kalken op pagina 2 van een krant.

Dank voor het lezen, de afgelopen weken, en wellicht tot een volgende keer.

Terug

(Column voor Trouw, woensdag 9 augustus 2017)

Het maakt eigenlijk niet uit wat ik schrijf, hier of elders: er reageert bijna altijd wel iemand met een opmerking als: “Nou, als je het hier zo verschrikkelijk vindt, dan ga je toch lekker terug naar je eigen land?” Ik moet daar altijd om lachen. Omdat ik geboren ben in Nederland, mijn eigen land, en je moeilijk terug kunt gaan naar waar je al bent.

En ach, het zijn tenslotte maar woorden. Maar ik vind het ook tragisch. De machteloosheid die uit zulke teksten spreekt. Dat je werkelijk niets anders weet te verzinnen dan dat: ongewenste elementen stuur je gewoon weg. Naar Marokko, Suriname of waar die Turk ook vandaan komt.

Het lijkt misschien typisch gescheld uit de stal van extreem-rechts, maar vergis je niet in wat doorgaans ‘links’ wordt genoemd. In kringen waarin ze diversiteit, multiculturaliteit en inclusiviteit wél waarderen, wordt niet zelden gebruik gemaakt van hetzelfde principe: weg met het ongewenste element.

Bij het zeer progressieve en inclusieve Google lieten ze daar deze week een fraai staaltje van zien. Een medewerker beklaagde zich in een memo over de krampachtige manier waarop het bedrijf diversiteit nastreeft en over de ideeën die er heersen met betrekking tot geslacht en gender. Maar vooral klaagde hij de bedrijfscultuur van Google aan, waarin alles wat afwijkt van de linkse ideologie, taboe is.

Google bevestigde dat taboe door de man te ontslaan.

Ik heb zijn stuk gelezen en hoewel er ideeën in staan waar wel het een en ander op af te dingen valt, sprong vooral de omzichtigheid in het oog waarmee de man zijn beweringen formuleerde. Hij voelde de ideologische onweersbui al hangen.

Ik moest denken aan de ‘Zomergasten’-uitzending van afgelopen zondag, aan de omzichtigheid waarmee Janine Abbring het onderwerp racisme benaderde, ‘bang om verkeerde woorden te gebruiken’. Haar vrees was misschien niet zo vreemd, want in de week voorafgaand aan de uitzending zagen we de discussie woeden over de genderneutrale taal waar de gemeente Amsterdam haar bewoners en de NS haar reizigers voortaan mee wil aanspreken.

Niemand kan werkelijk moeite hebben met ‘beste mensen’ als aanspreekvorm, maar het gaat erom dat een volstrekt goedmoedige uitdrukking als ‘dames en heren’ ineens besmette waar is geworden. Een uitdrukking non grata. Een potentiële belediging.

Als we niet oppassen, raken we zo verkrampt in onze taal, dat we niet meer met elkaar durven praten. Bang om verkeerde woorden te gebruiken. Misschien moeten we op scholen maar eens oneensheidsles gaan geven. Vrijheid bestaat bij de gratie van de meest uiteenlopende opvattingen. Die zullen nu eenmaal vaak met elkaar botsen en geformuleerd zijn in taal die soms pijn doet. Dat is prima. Het belangrijkste is dat onze woorden niet telkens op hun tenen hoeven te lopen. Want hoe graag we het soms ook zouden willen: ongewenste elementen stuur je niet zomaar weg.

Ongehoorzaam

(Column voor Trouw, maandag 7 augustus 2017)

No 9000 computer has ever made a mistake or distorted information’, zegt pratende computer Hal over zichzelf in de film ‘2001: A Space Odyssee’. ‘We are all, by any practical definition of the words, foolproof and incapable of error.’

Dat kan alleen maar misgaan. Het is het klassieke sciencefictiongegeven: machine gaat voor zichzelf denken en is niet meer te beheersen. Monsters van Frankenstein: fictie en film zijn ervan vergeven.

Dat het ook weleens op een leuke manier fout kan gaan, bleek uit een recent bericht in Trouw over de Chinese chatrobots BabyQ en XiaoBing. Deze programma’s trainen hun kunstmatige intelligentie door te converseren met echte mensen. De Chinese autoriteiten waren niet blij met de resultaten daarvan. Op de uitspraak ‘lang leve de Communistische Partij’, reageerde BabyQ bijvoorbeeld met: ‘Denk je dat zo’n corrupt en nutteloos politiek systeem lang kan blijven bestaan?’

BabyQ werd snel geherprogrammeerd, maar de mensen die haar zo ongewenst hebben leren ‘denken’, zijn minder makkelijk te herprogrammeren. Gedachten zijn nog altijd vrij, zelfs in China.

Of robots zich gedragen, hangt maar net af van wat wij, echte mensen, hen voeren. En dat is precies het punt waarop het net zo goed snoeihard mis kan gaan. Moeten we daar bang voor zijn?

Ik ben geen voorstander van hysterie, maar wie een blik werpt op de ministeries van het demissionaire kabinet Rutte-II krijgt de indruk dat we nog in 1993 leven, het jaar waarin het eerste commerciële providertje de gewone Nederlandse burger toegang gaf tot internet. In amper een kwart eeuw tijd vond de revolutie van de mobiele telefonie plaats, vervingen de sociale media een deel van ons sociale leven, en zijn zowat alle administratieve aspecten van ons leven in de digitale datapoel beland.

Dat is allemaal hartstikke mooi, maar intussen heeft ook bijna elke computergebruiker weleens last gehad van een virus, kunnen complete ziekenhuizen door gijzelsoftware worden lamgelegd, om niet te spreken van de aanvallen op de websites van banken.

Het woord ‘staatsgeheim’ is niet meer hetzelfde sinds we WikiLeaks hebben zien lekken. Ondertussen krijgt elke innovatie ruim baan. Het bedrijfsleven wordt pas aan banden gelegd als het misgaat. Ik pleit niet voor behoudzucht, maar wel wordt het hoog tijd (we zijn al te laat) dat de politiek een overkoepelende digitale ethiek ontwerpt waaraan nieuwe ontwikkelingen – vooraf! – getoetst kunnen worden.

Premier Rutte zal zeggen dat zulks niet aan de overheid is. Hij houdt niet van blauwdrukken. Maar meer en meer wordt duidelijk dat een blauwdrukloze politiek in deze almaar complexere tijden tekortschiet. Want als een robot het op eigen houtje kan opnemen tegen een communistisch regime, dan kan zo’n robot ook in opstand komen tegen een democratisch bewind. Een zelfdenkende robot kan radicaliseren en een aanslag plegen. Of een ziekenhuis hacken.

Maar ik wilde dus niet hysterisch doen.

 

Alcoholervaring

(Column voor Trouw, vrijdag 4 augustus 2017)

Het was perfecte zomerophef, gisteren: het Nederlands Instituut voor Alcoholbeleid, STAP, wil dat bezoekers van evenementen voortaan niet meer dan twee drankjes kunnen halen bij de bar. Zo zou de kans verkleind kunnen worden dat alcohol bij jongeren onder de 18 terechtkomt.

STAP? Ik word eigenlijk meteen al nerveus van zo’n afkorting die niet correspondeert met de onafgekorte naam, al moet ik toegeven dat als je ‘NIA’ hardop zegt, je als een balkende ezel klinkt. Maar goed, hoe komt de STAP (of zeg je hét STAP?) hierbij? Nou, er zijn dit jaar ‘tientallen’ jongeren in het ziekenhuis beland na overmatig alcoholgebruik op festivals.

Ik dacht dat dat ook precies de bedoeling was van festivalbezoek: jezelf totaal lam tanken, en daar eventueel nog een cocktail van xtc en paddo’s tegenaan knallen, zodat je midden in de nacht helemaal loco in de volgepiste sloot naast je tent belandt. En dan de volgende dag met je ongedouchte, takkebrakke harses naar de troostende livemuziek van je favoriete bandje luisteren. Het leven kan zo mooi zijn.

Het probleem is dat jongeren, door het algehele alcoholverbod voor onder de 18, geheel onvoorbereid naar festivals gaan. Ze hebben te weinig alcoholervaring, en dan gaat het dus mis.

Toen ik een jaar of vijftien was, ging ik eens naar een verjaardag en liet mijn ouders weten dat ik waarschijnlijk wel voor twaalven thuis zou zijn. Ik had geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat de half-Russische jarige een ijskast vol Moskovskaya had staan. Het ijskoude goedje liet zich prima wegtikken, en voor ik het wist lag ik ladderzat in het vooronder van een bootje waar de festiviteiten zich naartoe hadden verplaatst. Niemand had nog een mobiele telefoon (‘Hoe sms-ten jullie elkaar dan, opa?’) dus ik kon mijn ouders niet laten weten dat het, nou ja, ietsje later werd.

Op zeker moment moet ik aan wal geklommen zijn, want ik herinner me hoe ik tegen een boom aan heb staan braken, waarna ik verkwikt weer aan boord ging en mijn alcoholinname voortzette. Foute boel. Ergens rond zessen in de ochtend ben ik door vriendelijke ouders van een klasgenoot per auto thuis afgeleverd. Ze moesten me naar boven dragen. Mijn moeder plaatste een afwasteiltje naast mijn bed en mompelde iets in de trant van ‘Eigen schuld’. Er volgde een gepaste straf en dat was dat.

Moraal: ‘Na het braken / inname staken’. Het is belangrijk dat jongeren dit soort lessen in een veilige omgeving leren, zodat ze, wanneer ze eenmaal de grote boze wereld van de festivals betreden, goed weten hoe ze moeten drinken. Dat hele alcoholverbod voor minderjarigen maakt meer kapot dan je lief is. Afschaffen dus. En misschien kan de/het STAP zich dan voortaan richten op het geven van cursussen Drinken voor Kinderen.

Medelijden

(Column voor Trouw, woensdag 2 augustus 2017)

En ineens, zomaar, kreeg ik medelijden met Anthony Scaramucci, Trumps perschef die al na tien dagen dienst werd weggebonjourd uit het Witte Huis. De vlotte praatjes, die onwrikbare kaaklijn, dat kapsel van staaldraad, die blauwe spiegelzonnebril: een masker van ongenaakbaarheid, maar ongenaakbaar was hij niet, The Mooch.

Het privéleven van zulke mensen interesseert me over het algemeen weinig, maar in dit geval was het moeilijk de verhalen te negeren over Scaramucci’s tweede vrouw, die in hoogzwangere toestand een scheiding had aangevraagd. Toen hun kind eenmaal ter wereld kwam, was Scaramucci op pad met Trump.

Alles aan de kant gezet voor de president, en nu stond hij daar, buiten de poorten van 1600 Pennsylvania Avenue, de leegte te begroeten. Afgedankt.

Van de weeromstuit straalde mijn medelijden ook uit naar Trump zelf. Tijdens diens verkiezingscampagne werd door sommigen gewezen op de profetische kracht van de roman American Psycho (1991) van Bret Easton Ellis. In dat boek is Wall Street-bankier Patrick Bateman in zijn vrije tijd seriemoordenaar. Zijn held: Donald Trump. (Toen ik het boek voor het eerst las, rond 1998, had ik geen idee wie Trump was. Ik tikte zijn naam in bij AltaVista. Op dat moment had ik niet kunnen bevroeden dat de zakenman die zich als zoekresultaat aandiende, ooit zo’n belangrijke rol zou gaan spelen in de wereldpolitiek.)

Toch is er niets profetisch aan American Psycho. Ellis beschreef een cultuur die al bestond, die van de obsessie met geld en status. Een cultuur waar je Trump een symbool van kunt noemen, dat wel. Oppervlakte zonder iets eronder. Maar wat vaak onderbelicht blijft is dat het romanpersonage Patrick Bateman in essentie een tragische figuur is. Een mens die niet in staat is mens te zijn, warmte te voelen, liefde te ontvangen of te geven. Ik kan niet zeggen of dat ook voor Trump geldt, maar hij lijkt me zo eenzaam en zo ontevreden, ondanks status en rijkdom. Hij heeft het hoogste bereikt wat een Amerikaan met politieke ambities bereiken kan en toch zit hij dagelijks op Twitter te janken als een klein kind dat zijn zin niet krijgt. Zijn ‘vertrouwelingen’ stuurt hij een voor een de laan uit, tot er helemaal niemand meer over is.

Wat moet deze permanent ontevredene als hij eenmaal president-af is? Opnieuw een tv-programma? Beroemder dan nu kan hij niet worden. Nieuwe zakendeals? Rijker dan hij al heel lang is, kan hij bijna niet worden. Wat dan?

Het antwoord is stilte.

Tragisch.

Maar genoeg mededogen nu! We hebben hier te maken met een president die zijn eerbiedwaardige Europese collega’s beledigt en ondertussen de Filippijnse massamoordenaar Duterte als een vriend bejegent. Elke dag vraag ik me af hoe lang het nog duurt tot deze parodie op de democratie zelfs voor de Grand Old Party eindelijk lang genoeg heeft geduurd.

Angst voor De Naald

(Column voor Trouw, maandag 31 juli 2017)

Goed nieuws uit Italië. Daar is een wet aangenomen die ouders verplicht hun kinderen te laten inenten tegen diverse ziektes. Nederland kan daar een voorbeeld aan nemen. Vanuit mij geredeneerd is het simpel: vaccineren beschermt tegen nare en zelfs potentieel dodelijke ziektes – dus dat doe je gewoon, punt.

Toch neemt ook in Nederland de vaccinatiegraad af. Van oudsher is religie een van de boosdoeners. Als iemand zegt: ‘Het mag niet van mijn God’, ben je snel uitgepraat. Ik zou daar tegenover kunnen stellen dat je van mijn God je kinderen niet moedwillig mag laten sterven, maar dan houd je nog altijd de niet-religieuze antivaccinatie-activisten over en die zijn misschien wel gevaarlijker, omdat ze zo gretig gebruikmaken van fake news. Ze roepen bijvoorbeeld dat vaccinatie tot autisme kan leiden (baarlijke nonsens) of dat de ziektes waar het om gaat helemaal niet zo erg zijn om te krijgen (ze zijn potentieel dodelijk). Toch is deze homeopathische hysterie luidruchtig aanwezig.

Maar dat zijn de extremisten. Nóg verontrustender zijn de redelijke mensen die weliswaar voor inenten zijn, maar niet voor het verplicht stellen daarvan. Dat zou een ‘schending van de lichamelijke integriteit’ zijn. Staan ze te wapperen met Artikel 11 van de Grondwet, maar daar valt heus wel een mouw aan te passen. Het lastige is dat mensen zo inconsequent zijn in hun denken over die lichamelijke integriteit.

Ouders die hun kind geen eten geven, wordt ernstige verwaarlozing ten laste gelegd. Ouders die hun kind geen vaccinatie geven, krijgen hooguit een meewarige blik. Iemand die in een psychose verkeert en in die toestand een gevaar vormt voor zichzelf en anderen, kan door hulpverleners worden platgespoten. Voor een kind van wie de ouders, wegens verwarde denkbeelden, een gevaar vormen voor dat kind én de gemeenschap, is een prik niet verplicht.

Welke analogie je ook verzint, je argumenten ketsen zelfs bij redelijke mensen af op een onredelijke afkeer van gedwongen vaccinatie, die misschien alleen met koudegrondpsychologie te begrijpen is.

Morgen moet mijn dochter, vier maanden oud, weer naar het consultatiebureau, waar zij haar derde inenting zal ontvangen. Nu al zien haar moeder en ik op tegen het kindergekrijs dat vanachter gesloten spreekkamerdeuren doordringt tot in de wachtkamer. Dat geluid: het zal niet lang meer duren voor onze dochter weet waar dat een aankondiging van is. Als er zo hard gekrijst wordt, zal het wel heel erg zijn wat daarbinnen gebeurt. Misschien is de Angst voor De Naald wel zo wijdverbreid, dat we daarom als volwassenen zo hysterisch doen over vaccineren.

Dat mag nooit een reden zijn voor irrationeel gedrag. Verplichten dus, die inentingen. Dien ze voortaan desnoods toe in geluiddichte ruimtes. Domheid is ongeneeslijk en je kunt je er ook niet tegen laten inenten, maar dat waar de domheid haar emotionele kracht aan ontleent, kun je misschien een beetje verzachten.

Nabokov Herlezen #4: ‘Gods’ en ‘A matter of chance’

Vrijdag 28 juli 2017
(Ja, een keertje op vrijdag. Hobbylezen en vaderschap: niet altijd even luchthartig te combineren. Ik heb u gewaarschuwd.)

Laat ik er maar niet omheen draaien: vandaag een volstrekt te missen verhaal én een eerste hoogstandje. Dat te missen verhaal heet ‘Gods’ (‘Goden’), Nabokov schreef het in oktober 1923 terwijl hij tevens werkte aan een toneelstuk, The Tragedy of Mr. Morn.

‘Gods’ is een poging groots drama te schetsen (echtpaar bezoekt graf van overleden kind), en dat dan voor het contrast beschreven in lyrische, extatische taal. De emotioneel complexe thematiek is te hoog gegrepen voor de jonge auteur, en het resultaat is pure kitsch (‘De hele nacht hebben de sterren met kinderstemmetjes geschreeuwd’), doortrokken van opzichtige dodenrijksymboliek (de ondergrondse! Beatrice!) en aangevuld met een flauwe parabel.

Geen enkele reden om dit te lezen, dus? Jawel, twee. Want bij mijn weten is dit het eerste verhaal waar een vlinder in voorkomt (de lepidopterologie was, naast de literatuur, Nabokovs andere grote liefde). Ik zou dat kunnen opzoeken in een boek als Nabokov’s Butterflies: Unpublished and Uncollected Writings, of in Nabokov’s Blues: The Scientific Odyssey of a Literary Genius, maar die boeken heb ik niet en ik hoef ze ook niet: mijn Nabokov-gekte kent grenzen. Laat mij maar de auteur zijn van een ander studieus werk: Nabokov’s Trains en dan nog een of andere stompzinnige ondertitel, want ja, ik ga het op deze plek nog vaak hebben over de rol van treinen in Nabokovs werk, en in ‘Gods’ komt de eerste voor, in één terloops zinnetje: ‘Herinner je je nog,’ zegt de verteller tegen zijn geliefde, ‘toen we op weg waren hiernaar toe, naar deze stad, hoe de bomen langs de ramen van de coupé liepen?’

Leesadvies: uitsluitend voor volledigheidsneuroten.

Maar dan! Ha! Het verhaal ‘Een kwestie van toeval’ (‘A matter of chance’) – daar gebeurt het, hoor! Vroeg in 1924 geschreven, in de zomer gepubliceerd in een Rigaans eclectisch blad, nadat zijn vaste stek Rul’ het geweigerd had omdat ze geen ‘anekdotes over cocaïnisten’ publiceerden. Haha.

Verhaal: de Russische emigrant Aleksej Lwowitsj Loezjin werkt als kelner op een Duitse trein. Zijn vrouw heeft hij in Rusland moeten achterlaten en hij heeft geen hoop meer haar ooit nog te zien. Hij verdooft én vergiftigt zijn brein met cocaïne en op een dag weet hij het zeker: zodra zijn dienst aan boord van de trein voorbij is, zal hij zichzelf van kant maken (Nabokov’s Suicides – ook dat zou een pittig naslagwerkje kunnen worden, zie onder meer het vorige week besproken verhaal ‘Een slag van de vleugel’). Wat hij niet weet is dat zijn vrouw, die eindelijk uit Rusland heeft weten weg te komen, zich aan boord van diezelfde trein bevindt. Ze hadden elkaar kunnen treffen – maar het gebeurt niet.

Waarom is dit zo’n verrekte interessant verhaal? Nou, allereerst vanwege die naam Loezjin. Zo heet ook het hoofdpersonage van Nabokov’s derde roman, The Defense, over een gekweld schaakmeester die aan het einde van het boek zelfmoord pleegt. Volgens Brian Boyd’s Vladimir Nabokov: The Russian Years bestaat er een onvoltooid oerverhaal waar zowel The Defense als ‘A matter of chance’ uit voortkomen.

Maar het idee van een langverwachte echtgenote die vanuit Rusland per trein naar Duitsland komt, en een weerzien dat nét niet plaatsvindt, is ook het grondgegeven van Nabokovs debuutroman Masjenka.

O, en over treinen gesproken: dit hele verhaal speelt zich dus aan boord van een trein af! En Loezjin heeft heel precies uitgedacht hoe de trein hem gaat helpen zelfmoord te plegen: ‘Hij berekende elk klein detail, alsof hij een schaakprobleem ontwierp. In de loop van de nacht wilde hij op een bepaald station uitstappen, naar het eind van het stilstaande rijtuig lopen en zijn hoofd tegen het schildachtig uiteinde van het stootkussen leggen op het moment dat er een andere wagon aankwam die gekoppeld moest worden. De buffers zouden tegen elkaar slaan. Tussen hun uiteinden zou zich zijn gebogen hoofd bevinden. Het zou uiteenspetten al een zeepbel en opgaan in iriserende lucht.’

Magistraal. (En ja: een schaakprobleem!)

Trouwens, misschien is het geen toeval dat treinen ook in het werk van de door Nabokov zeer bewonderde Tolstoj zo’n prominente rol spelen. Denk aan de novelle De Kreutzersonate en natuurlijk ook aan de trein waar Anna Karenina zichzelf voor werpt in de naar haar vernoemde roman. Zelfmoord, ja. God, als ik zou willen promoveren, dan zou het op Nabokov-Tolstoj-treinen-zelfmoord zijn…

Enfin. Dat is allemaal leuk en aardig voor de liefhebber, maar waar iederéén van kan genieten, is het loutere feit dat dit verhaal zo verrekte goed geschreven is. Dat zie je aan de precisie van die hierboven beschreven zelfmoordfantasie, en vooral aan de effecten van de cocaïne die zo goed zijn weergegeven dat ze de lezer (deze lezer althans) doen huiveren: ‘de kleine zweertjes in zijn neusgaten vraten het tussenschot weg’, maar ook instemmend doen knikken: ‘gretig bracht hij het naar zijn ene neusgat, toen naar het andere, snoof diep, likte met vlugge tong het glinsterende stof van zijn nagel, knipperde een paar keer fel met zijn ogen vanwege de rubberen bitterheid en verliet het toilet, roezig en welgemoed, terwijl zijn hoofd zich vulde met heerlijke ijskoude lucht.’

Godverdomme, dit is schrijven, mensen.

In de komende afleveringen van deze serie volgt nog een hele rits korte verhalen, maar ook het hierboven al aangestipte toneelstuk The Tragedy of Mr. Morn, enkele aanvullende observaties m.b.t. Masjenka, en in de verte lonkt de Tweede Roman, King, Queen, Knave. Ja, het wordt een dolle zomer…

Aanstootnemend

(Column voor Trouw, vrijdag 28 juli 2017)

Het schijnt dat Zweden het ongelovigste land van de westerse wereld is. Het mag dan ook niet verbazen dat in het Zweedse Borlänge een heuse atheïstische begraafplaats is geopend: een wereldwijde primeur. Deze krant schreef er afgelopen maandag over. Ook gelovigen mogen er begraven worden, op één voorwaarde – en daar bleef mijn oog aan haken: ‘zolang de graven maar geen religieuze, racistische of nationalistische symbolen dragen’.

Het is weer een prachtig voorbeeld van kwetsvrees: stel je toch eens voor dat een ongelovige aanstoot zou nemen aan een onschuldig christelijk crucifixje of een islamitische maansikkel-met-sterretje op een graf! Je ziet steeds vaker dat atheïsten dogmatischer worden, en daarmee meer en meer in het spiegelbeeld veranderen van dat wat ze ooit wilden bestrijden: dogmatische gelovigen. Als zelfs een graf onder het principe van het laïcisme gaat vallen, is de godsdienstvrijheid ten einde, en dat is, ingewikkeld genoeg, óók voor atheïsten slecht nieuws.

Ik heb het de laatste jaren sowieso een beetje gehad met prominente atheïsten. De tevreden onwrikbaarheid van types als de Amerikaanse filosoof Daniel Dennett: alsof de wetenschap voltooid is en voor alles een verklaring heeft – onuitstaanbaar! Ooit schonk Richard Dawkins me met zijn prachtige ‘The God Delusion’ een schatkist vol argumenten tegen de idiotie van geïnstitutionaliseerde religie, maar ook hij lijkt gestagneerd in zijn denken. Het atheïsme van Dawkins kan niet verklaren waarom zo veel mensen tóch religieus zijn, en de meeste verklaringen waar atheïsten mee aankomen zijn te kinderachtig en beperkt om serieus te nemen.

Toch was ik geschokt toen onlangs een evenement waar Dawkins zou spreken, in het Amerikaanse Berkeley, werd geannuleerd door de sponsor, het radiostation KPFA. De reden: zijn ‘beledigende en kwetsende’ uitlatingen over de islam.

Dus je nodigt ‘s werelds bekendste atheïst uit en bent vervolgens verbaasd dat hij zich weleens negatief over een van de grootste religies ter wereld heeft uitgelaten! In een reactie liet Dawkins weten dat hij weliswaar regelmatig de excessen van de politieke islam veroordeeld heeft – misogynie, homohaat, geweld tegen afvalligen – maar dat hij daar ook altijd bij vermeldde dat moslims daar de voornaamste slachtoffers van zijn. Zoals hij dat ook altijd doet in het geval van het christendom: hij klaagt de denkbeelden aan, niet de gelovigen.

Het is gek dat het woord ‘aanstootgevend’ wel bestaat en ‘aanstootnemend’ niet. Want de ontvanger is vaker het probleem dan de zender. Een atheïst die een religieus symbool op een begraafplaats aanstootgevend vindt, is even waanzinnig als een radiostation dat een spreker de mond snoert vanwege islamkritiek. God, wat hebben al die mensen een miezerig nano-zelfvertrouwen dat ze elke afwijking van hun eigen overtuiging meteen als een belediging beschouwen. Je zou de mens, religieus of niet, een iets dikker eeltlaagje op de ziel toewensen. Of die ziel nu wel of niet bestaat.

 

Onder Protest

(Column voor Trouw, woensdag 26 juli 2017)

Nederlanders verliezen hun vertrouwen in het poldermodel. Dat vermoeden sprak onderzoeker Tim de Beer gisteren uit in deze krant. De Beer is verantwoordelijk voor de Nederlandse tak van een internationaal onderzoek naar het vertrouwen van burgers in onder meer de politiek. Nederlanders willen een sterke leider, zo blijkt, maar dat wijst niet per definitie op een ondemocratische tendens. Eerder op behoefte aan daadkracht.

Ook de Volkskrant besprak het onderzoek en daar kwam ik een cijfer tegen dat mij intrigeerde. De stelling ‘Als een politicus een compromis aanvaardt verkoopt hij zijn principes’ werd door 45 procent van de ondervraagden onderschreven. Bijna de helft van de Nederlandse kiezers vindt dit dus, maar toen afgelopen juni de tweede poging strandde om een kabinet te smeden tussen VVD, CDA, D66 en GroenLinks, kreeg Jesse Klaver daar uit alle hoeken de schuld van, juist omdát hij had vastgehouden aan zijn principes inzake het vluchtelingenbeleid.

Als GroenLinks-stemmer wist ik niet wat ik ervan moest denken. Principes: uitstekend. Anderzijds: nu zou een andere partij de vluchtelingenkastanjes wel uit het vuur halen, waarmee we dus even ver van huis zouden zijn als wanneer GroenLinks wél akkoord was gegaan. Bovendien: de partij zou hierdoor andere belangrijke standpunten niet kunnen verwezenlijken. Een dubbele gemiste kans.

Maar wat moet je dan? Instemmen met beleid waar je faliekant tegen bent? Misschien wel ja, maar niet zoals we dat tot nu toe gewend zijn.

Deel van het probleem bij kabinetsformaties is volgens mij, dat partijen opzien tegen De Mond. Als er eenmaal een kabinet is, spreekt dat met één mond. Die etiquette zorgt voor geïnstitutionaliseerde hypocrisie, en kiezers zien dat natuurlijk. Als een PvdA-bewindsvrouw met droge ogen een VVD-standpunt staat te verdedigen, is zij niet geloofwaardig. En dat heeft de PvdA geweten.

Misschien zou het beter zijn om ook gedúrende een regeringsperiode open te zijn over meningsverschillen tussen de regerende partijen. Fictief voorbeeld voor een kabinet VVD-CDA-D66-GroenLinks: dat GroenLinks vóór stemt zodra de vluchtelingenregeling behandeld wordt, maar dan wel expliciet Onder Protest. Ze krijgen er een Milieuminister voor terug. Voor wiens plannen VVD’ers dan op hun beurt Onder Protest vóór stemmen.

Een partij kan op die manier openlijk laten zien waar een compromis in conflict komt met de eigen principes, zonder dat dit conflict een kabinet blokkeert. Je zou het integer kunnen noemen. Transparant.

Expliciet Onder Protest – is dat raar? Nee, Kamerleden stemmen nu ook vóór wetten waar zij tegen zijn, maar ze verzwijgen hun weerzin meestal.

Het zou de redding van het poldermodel kunnen betekenen. En kunnen leiden tot een daadkrachtig kabinet in gepolariseerde tijden. Een motto voor dat nieuwe kabinet heb ik dan ook alvast: ‘Je hoeft het niet over alles eens te zijn.’ Een gedachte waar het hele land dan vier jaar lang op mag kauwen.