Amsterdam-Centrum, vrijdag de 13e, juni 2014.

Ik heb vlees gekeken. Het kwam in pusbleke uitvoeringen, het werd geleverd in het schrijnende vaginaroze van overbezonning, ze toonden het in anusbruin en tatoeagegroen, het waaierde van tuberculeus tot nicotinair en alles was oranje. Zelfs het Heinekengroen in plakkerige klauwen kleurde oranje. Het vlees in al zijn hompen en kwabben, tevoorschijn kierend vanonder oranje T-shirts, bezaaid met wratten, bestriemd met striae. Puisten, abcessen, mee-eters. In Britse boxers bungelden tussen klamme baconbenen kleverige piemels, uitgeput van bierpis, van de prostituee die maar trekken bleef terwijl-ie niet wilde. Zo eerden zij onze driekleur: rooie ogen/witte pens/blauwe ballen. Ze waren met treinen gekomen, met vliegtuigen, ze kwamen uit muizenholen en molshopen, uit putten en kerkers, uit de provincie, en alles was oranje. Ik heb vlees gekeken dat glom van zweet en van zonnecrème. Ik heb tieten aanschouwd waaruit je, als je goed luisterde, de siliconen kon horen weglekken. Kinderen, huilend en lachend, veelal te dik, en alles was oranje. De zon maakte geen onderscheid, lichtte ieders obese koteletten even scherp uit. Rollades in spaghettihemdjes, albino’s in polo’s, lillend, lillend, lillend. Braadworstbruine benen marcheerden klotsend door de winkelstraten. En alles was oranje.

Te complex

Trujillo

Jammer: vanaf het moment dat ik aankondigde een vast rubriekje over haar te willen beginnen, heeft Janet Luis al weken geen recensies meer gepubliceerd in de vrijdagse boekenbijlage van NRC Handelsblad. En het is nog wel een van mijn favoriete hobby’s: de recensent recenseren… Gelukkig neemt Arjen Fortuin het stokje behendig van haar over met een nieuw hoogtepunt in de Nederlandse literatuurkritiek: volgens Fortuin is de onlangs verschenen roman De zangbreker, van Carolina Trujillo, te complex. Oei. Moet je godverdomme nog gaan nadenken ook, tijdens het lezen. Daar is literatuur natuurlijk niet voor bedoeld. Hop, balletje eraf.

Verder scoort de recensent met het aanwijzen van enkele slordigheidsfoutjes (die in zo ongeveer elke eerste druk van een dik boek te vinden zijn, maar goed). Opvallend is de subtiele wijze waarop Fortuin deze foutjes parodieert, door in zijn recensie zelf ook een paar uitglijers te maken. “Verderop,” schrijft Fortuin, “krijgt Tony kritiek op de weinig subtiele middelen waarop hij zijn dalers naar onderen op duwt.” Juist. Middelen waarop. Opduwen naar onderen. Klasse, dit. Sympathiek is ook hoe hij de AKO-nominatie die Trujillo ontving voor haar roman De bastaard van Mal Abrigo “verdiend” noemt. Alleen: die nominatie ging naar een ander boek, De terugkeer van Lupe Garcia. Vast en zeker ook verdiend.

Ik zeg: vier sterren voor Fortuin. Tot volgende week!

Do you love me?

Engagement en literatuur, altijd een gevaarlijke discussie. Waag je je aan politiek als fictieschrijver, dan dreigt de beschuldiging van pamflettisme. Onthoud je je van elk politiek commentaar, dan ben je een wereldvreemde l’art-pour-l’art-aanhanger. Alsof zich daartussen niets bevindt.

Mijn grote oude liefde The Cure – beslist geen politiek geëngageerde band – speelde op 4 juni 1989, vandaag vijfentwintig jaar geleden, een concert in Rome. Die dag was in Peking de beroemde opstand op het Plein van de Hemelse Vrede uitgebroken – en met veel machtsvertoon en bloedvergieten neergeslagen. Robert Smith droeg het wondermooie, het eeuwige ‘Faith’ op aan ‘everyone that died today in China’.

Hadden de doden er iets aan dat een popzanger met raar haar ver weg in Rome een liedje voor ze zong? Nee. Maar het was niet voor hun. Zij wisten al hoe het was om te leven in een land waar je niet mag zeggen of schrijven wat je denkt. Het is voor ons. Luister naar de opname hierboven, luister naar de ijzige dialoog die Robert Smith vanaf 7:35 begint te improviseren – het is: je voorstellen hoe het is om in je eentje voor een tank te gaan staan. Het is: je voorstellen hoe het is om te knielen voor iemand die een pistool tegen je hoofd drukt en zegt: ‘Do you love me?’ – in de wetenschap dat het enige antwoord dat je leven kan redden ‘ja’ is. Het is: je voorstellen hoe het is om op dat moment nee te zeggen.

Ik leef in een land waar je nee mag zeggen. Het kan geen kwaad daar nu en dan bij stil te staan, te beseffen hoe waardevol de woorden zijn die we vaak zo klakkeloos gebruiken.