Jaar 1 (#27)

Donderdag 27 april 2017
Koningsdag. En ik keer definitief terug naar mijn roman-in-wording.

Het is een cliché dat het ouderschap milder maakt. Een leugenachtig cliché. Of laat ik voor mezelf spreken: mij maakt het allerminst mild, integendeel. Alles wat ik al belangrijk vond en waar ik fel over was, vind ik, nu er een dochter in mijn leven is, des te belangrijker, en daarom ben ik er des te feller over. Ze fungeert als lens: het hele leven wordt scherper. Door haar.

Het is moeilijk van onze klotewereld een wereld te maken die een heel klein ietsepietsie beter is, maar toch moet je daarnaar streven, vind ik, en het krijgen van een kind maakt dat streven alleen maar prangender en pregnanter. Dan gaat het me niet alleen om vrede op aarde of een beter milieu. Ook op mijn eigen kleine vakgebied, de literatuur, ben ik een idealist. En daarom verdraag ik de misstanden die ik daar waarneem, steeds minder goed.

Dan zie ik weer een ‘essayistische roman’ aangekondigd staan van de zoveelste jonge schrijfster die geobsedeerd is door gender en door een soort halfbakken hipsterfeminisme en door de eigen biografie en biotoop, het komt doordat ze allemaal dezelfde boeken lezen, omdat ze allemaal Maggie Nelson willen zijn of Rebecca Solnit of Chris Kraus of welke verschrikkelijke Amerikaanse lulschrijfster ze nú weer allemaal lezen. En het ergste is dat de boeken die dat oplevert stuk voor stuk zo hemeltergend slecht geschreven zijn.

Literatuur is taal, eigenzinnige taal, taal die de overbekende toeristische straten en pleinen mijdt, taal die juist de verlaten steegjes verkent, of de lugubere, stille buitenwijken, de groezelige bosjes van een stadspark in een achterstandsbuurt of de verlaten tunnels van een opgeheven metrolijn. Dus niet het soort alledaagse Viva-taal dat je overal, werkelijk fucking overal al leest.

Op Twitter jankte onlangs een of andere redacteur die dol is op het bovengenoemde soort boeken dat hij Faulkner onleesbaar vindt en dat hij Nabokov onleesbaar vindt en Philip Roth ook. Geen schrijver is heilig, maar deze drie grootheden ‘onleesbaar’ noemen? Dan deugt je literaire kompas niet. Dan begrijp je je eigen vakgebied niet.

Ik wil dit soort mensen vernietigen. Ze kotsen op alles wat ik mooi en goed en belangrijk vind.

En ik denk: waarom ontsláát Atlas Contact deze totale miskleun genaamd Jelte Nieuwenhuis niet? Waarom laten ze dit stuk vreten zijn afzichtelijke stront via Twitter de wereld in spuien? Op persoonlijke titel zal het wel weer zijn, maar wie zo over literatuur praat in zijn privéleven, zou ik niet vertrouwen in zijn professionele doen en laten. Wat een achterlijke flapdrol.

O, de mensen vinden je zuur als je kritisch bent. Weet je wat zuur is? Dat er stapels flutboeken worden uitgegeven, dat ze allemaal op elkaar lijken, en dat we ze volgend jaar allemaal weer vergeten zijn – wat op zichzelf misschien een opluchting is, dat je ze zo snel weer vergeet, maar de uren verspild aan het lezen van die bagger krijg je nooit meer terug.

Ik wil méér van literatuur, ik eis er het hoogste van. Ik wil dat een boek me optilt. Een slap, middelmatig boek heeft daar de spieren niet voor. Middelmatige boeken moeten bestreden worden. Uit enthousiasme. Uit enthousiasme voor échte literatuur.

Zuur? Nee. Mild? Nee.

Ik ben een guerrillastrijder.

 

Jaar 1 (#26)

Woensdag 26 april 2017
Nog wat schrijversmythologie, naar aanleiding van wat ik gisteren schreef. Mythologie ja, want als je je afvraagt ‘wanneer het allemaal begon’, ben je natuurlijk bezig je eigen geschiedenis mooier en logischer te maken dan die werkelijk is. Heel veel kinderen houden ervan toneel te spelen, maar slechts een enkeling wordt als volwassene acteur. Heel veel kinderen houden ervan proefjes te doen met behulp een scheikundedoos, maar slechts een enkeling wordt chemicus. En heel veel kinderen houden van verhaaltjes verzinnen en schrijven die verhaaltjes ook op. Maar slechts een enkeling wordt later schrijver.

Die herinnering van gisteren, over die Q – heb ik die verzonnen? Ik weet zeker van niet, maar wat is ‘zeker’? Ik was toen vijf, zes jaar oud. Ik ben nu achtendertig.

Wat ik wel zeker weet, is wat schriftelijk is vastgelegd. In 1990, toen ik elf jaar oud was, schreef mijn juf op de lagere school in mijn rapport, bij het onderdeel Taal: ‘Als jij later een boek zult schrijven, zal ik het zeker kopen (maar dan heb je me natuurlijk al een present-exemplaar gestuurd).’

Hoewel dat boek nog zo’n twintig jaar op zich zou laten wachten, bleven die woorden van haar altijd ergens op de achtergrond in mijn hoofd echoën. Als een zachte opdracht.

Ja, dat boek kwam er, alleen kon ik, toen het in 2010 eindelijk zo ver was, haar adres niet traceren. Afgelopen zomer kwam ik toch ineens met haar in contact en ook met een andere juf van wie ik op die school les had gehad, en met z’n drieën dronken we koffie op een zonovergoten terras.

F en ik zouden diezelfde avond per echo de allereerste beelden van ons toekomstige kind te zien krijgen. Ze leefde (maar dat het een ‘ze’ was, wisten we toen nog niet), het hartje klopte, ze was ongeveer negen weken oud, en ze was vermoedelijk ergens op Sicilië verwekt, waarschijnlijk het vulkaaneiland Stromboli of de heerlijke stad Messina, al was ietsje eerder óók mogelijk, en dat was de optie die F en ik het liefst in onze fantasie vastlegden: het Eolische eiland Salina, waar we zulke paradijselijke dagen hadden doorgebracht. O, als een of andere gerechtelijke instantie mij en mijn gezin daarheen zou verbannen – ik zou perfect gelukkig zijn.

Afgelopen week, als antwoord op ons geboortekaartje, stuurde mijn oude juf  ons een boekje van Nijntje toe, getiteld De schrijfster.

‘Dit boekje was het kinderboekenweekgeschenk in 1990,’ schreef ze, op een begeleidend kaartje. Ja, het staat er echt: ’1990′. Het jaar van die opmerking in dat rapport. Soms worden de mooie verbanden je gewoon in de schoot geworpen.

Het moet voor juffen en meesters vreemd zijn te beseffen dat hun woorden zo’n grote impact kunnen hebben op de kinderen in hun klas. Je maakt een grapje over een presentexemplaar, en vele jaren later blijkt zo’n kind dat te hebben onthouden, ernaar te hebben gehandeld: hij stúúrt je dat presentexemplaar.

Zo is het ook raar om te beseffen dat ik me van alles kan voornemen met betrekking tot de opvoeding van J, maar dat ze waarschijnlijk het meeste zal leren van opmerkingen die ik terloops maak, dat ik me vaak niet bewust zal zijn van wat wel en wat niet van invloed op haar zal zijn. Heel veel later zal ze het me misschien vertellen, als ze haar eigen mythologie geschreven heeft.

Jaar 1 (#25)

Dinsdag 25 april 2017
Tijdens het interview van afgelopen zondag kwam, zoals wel vaker, de vraag op tafel wanneer ik met schrijven ben begonnen. Op zo’n vraag zijn veel antwoorden mogelijk. In 2010, toen mijn debuutroman verscheen. In 2006, toen ik aan die debuutroman begon. In 2003, toen ik besloot zo ongeveer alles in mijn leven opzij te zetten voor het schrijven – het schrijven van een roman die uiteindelijk mislukt is, maar waarvan de drie jaar dat ik eraan werkte, fungeerden als een soort geïmproviseerde opleiding tot schrijver. Of begon het in plusminus 1996, toen ik voor het eerst een poging nam een roman uit mijn pen te persen? Het lukte me toen weliswaar om dat ding te voltooien, maar goed was het niet.

Of misschien moet ik veel verder terug, naar de kleuterschool (en dit was het antwoord dat ik gaf tijdens het interview), een geïsoleerde herinnering, de fascinatie voor een letter die op de rug van het boek stond dat de juf ons voorlas, het moet Pluk van de Petteflet geweest zijn, want wat een titel was, begreep ik al. Wat een schrijver was, begreep ik ook, en deze schrijver heette Annie M.G. Schmidt. Maar wat betekende die dikke letter Q toch? Ik vroeg het en leerde wat een uitgever was.

Een kwart eeuw later bekeek ik op het snikhete Menorca het omslagontwerp voor mijn debuutroman, die verschijnen zou bij de uitgever met die dikke Q, Querido. De ontwerper van bureau Dog & Pony was de Q op de rug van het boek vergeten te verwerken. Ik had veel beheerst commentaar op dat ontwerp, maar dit kleine foutje maakte me razend.

Het kwam goed. Anderhalve maand later kon ik alsnog het eerste exemplaar van mijn hoogsteigen dikke Q in ontvangst nemen.

Jaar 1 (#24)

Maandag 24 april 2017
Hoe laat leven we? Het is ergens tussen vier en vijf ’s nachts. Ze heeft gedronken, ze slaapt alweer, ik heb zojuist haar flesje afgewassen, goedgeluimd. Nooit te voorspellen hoe ik zal ontwaken voor deze nachtelijke voedmomenten. De ene keer (nu) lukt het me om met redelijk gemak uit bed te komen en vrolijk de baby te voeden, terwijl ik spelletjes speel en grapjes maak die te dom zijn om hier te beschrijven. De andere keer krijg ik nauwelijks mijn ogen open, schuifel ik als een bejaarde door het huis en smeek ik inwendig om het moment dat ik – please! – weer kan gaan slapen. Maar ik heb niets te willen. Een kind krijgen betekent: accepteren dat je eigen vrije wil andermans slaaf is geworden.

Jaar 1 (#23)

Zondag 23 april 2017
Ik werd geïnterviewd in een bierbrouwerscafé, samen met Hanna Bervoets. Op dag 23 van J’s leven is het nog steeds moeilijk om haar thuis achter te laten. Ik let beter op mezelf als ik door de stad loop, steek niet over bij rood, niet omdat ik niet dood wil, maar omdat ik moet leven om haar vader te kunnen zijn. Je leeft niet meer voor jezelf, noemen de mensen dat geloof ik. Clichés komen nooit uit de lucht vallen.

Na afloop van het optreden bleef ik nog even naborrelen, maar de hele tijd met dat dubbele gevoel: ik moet mijn leven weer een beetje oppakken en zo’n openbaar interview is gewoon werk inclusief naborrel dus ik moet nog even blijven hangen maar eigenlijk wil ik  gewoon onmiddellijk naar huis.

Toch genoot ik ergens ook van het uitstel. Net zo lang uitstellen tot je het bijna niet meer houdt, tot je ontploft. Onderweg terug naar huis deed ik om diezelfde reden nog een paar boodschappen. En toen: thuis.

Niks geen extatisch Hollywood-weerzien – nee, een glorieuze poepluier uit de hel kan ik krijgen. Ineens moet ik kokhalzen. Het is een smeerbende. We doen haar maar in bad. Het is heerlijk, dit, want interviewen maakt ijdel, doet je geloven dat je een belangrijk denker bent, maar hier sta ik weer, de billen van mijn dochter schoon te maken, het werkelijk belangrijke werk.

Na afloop ontdekken we een raar plekje onder haar rechteroksel. Ik kan niet goed uitmaken of het viezigheid is of irritatie of irritatie-met-pus of wat dan ook en het lukt niet om haar arm helemaal op te tillen: die houdt ze stijf tegen haar romp geklemd. Ik pak een boek. Dat is blijkbaar wat ik doe als ik het even niet meer weet. Niet googelen, nee, ik pak een boek. Het boek stelt gerust. We maken het plekje schoon. Het is natuurlijk niets, maar toch: elke schending van dat gloednieuwe lichaam is ontoelaatbaar.

Jaar 1 (#22)

Zaterdag 22 april 2017
Thomas Nagel, over wie ik afgelopen dinsdag en donderdag ook al schreef, besprak onlangs in de New York Review of Books een boek van filosoof en cognitiewetenschapper Daniel Dennett, From Bacteria to Bach and Back: The Evolution of Minds.

Dennett, daar hebben we een figuur te pakken die in deze aantekeningen nog geregeld zal opduiken, zo vermoed ik. De man beschouwt het als zijn levenstaak wonderen en illusies door te prikken. Ooit schreef hij het boek Consciousness Explained en die titel verklaart meteen al waarom zo veel mensen een hekel aan hem hebben: Dennetts pedanterie wekt ergernis op. En zijn verklaring van hoe dat bewustzijn dan precies zou werken, is in dat boek nergens bevredigend (misschien kom ik er binnenkort toe het wat uitgebreider te bespreken).

Dat geldt, als ik Thomas Nagel mag geloven, ook voor Dennetts nieuwe boek, hoe omvangrijk en gul de eruditie van Dennett ook mag zijn. Dat heeft met het volgende te maken. Dennett onderscheidt, in navolging van filosoof Wilfrid Sellars, twee manieren om naar de wereld te kijken: het manifeste beeld dat we van de wereld hebben omvat alles zoals het zich aan ons voordoet. Mensen, planten, schilderijen, apparaten, gedachten et cetera. Daar staat het wetenschappelijke beeld tegenover: de wereld van moleculen en atomen, van zwaartekracht en andere onzichtbare krachten, van quarks en snaren.

Dennett vergelijkt dat verschil met een computer: je hebt het manifeste beeld dat je op je scherm ziet, met gebruikersvriendelijke icoontjes die je kunt aanklikken en verslepen, en daarachter zit de harde, gecompliceerde computercode, nauwelijks te bevatten voor de gemiddelde gebruiker.

Als ik de review goed begrijp, beschouwt Dennett dat manifeste beeld dus als een illusie, opgeroepen door de wetenschappelijke ‘code’, of, om het in neurotermen uit te drukken: onze hersenen creëren de illusie van dat wat we waarnemen als ‘echte’ wereld. Onze ervaringen zijn illusies.

Ook ons bewustzijn valt daaronder, en dáár gaat Dennett volgens Nagel in de fout. Want hoe kan bewustzijn een illusie zijn als elke illusie een ervaring in dat bewustzijn is? Als je je dan ergens bewust van bent, ben je het eigenlijk niet, en dan zouden dus ook die illusies illusies zijn.

Anders gezegd: als illusies zich ergens bevinden, dan moet dat ergens toch op z’n minst echt zijn? Dus kan het mij niet toeschijnen dat ik bewust ben terwijl ik het niet ben. Je zou dit het klassieke Descartes-minimum kunnen noemen: de enige realiteit waarvan je zeker kunt zijn, is die van je bewustzijn. Cogito ergo sum, nietwaar?

Wat mij dan weer interesseert, maar waar Nagel niet op ingaat, is wat Dennett precies onder ‘illusie’ verstaat. Illusies zijn ‘niet echt’, maar ze bestaan wel, anders zou je er niet over kunnen praten. En de ervaring van een illusie is wel degelijk reëel, hoewel niet tastbaar. Wat is de bestaansechtheid van een gedachte?

Toch maar eens dat boek van Dennett aanschaffen, al betwijfel ik of hij met overtuigende antwoorden op die vragen komt.

“Een honger” bekroond met European Union Prize for Literature

EenHongerCoverEen honger is vandaag bekroond met de European Union Prize for Literature, een prijs voor nieuw en aanstormend literair talent uit Europa. De jury noemt de roman “the most courageous one in Dutch literature in decades”. Lees hier meer over de prijs, en hier het volledige juryrapport plus een verzameling fragmenten uit de winnende boeken uit de diverse Europese landen.

Een honger won eerder de BNG Literatuurprijs. De pers schreef over het boek:

“Literair spektakel.”
***** Het Parool

“Een beest van een boek.”
***** AD

“De mooiste pagina’s over de liefde die we in jaren lazen.”
****1/2 De Morgen

“Een Max Havelaar van ons tijdsgewricht.”
**** NRC Handelsblad

“Na Vertedering levert Ouariachi opnieuw een weergaloze roman af.”
***** De Telegraaf

“Een hoogtepunt in de Nederlandse literatuur van dit moment.”
***** Noordhollands Dagblad

“Een honger is het werk van een rasverteller. Niet te missen.”
**** De Standaard

“Een liefdesverhaal van een grootsheid en een tragiek die zelden vertoond is.”
***** Dagblad De Limburger

“Spannend, hyperintelligent, en helder als een verliefdheid.”
HUMO

“Een wonder van verbeelding en empathie.”
HP/De Tijd

Jaar 1 (#21)

Vrijdag 21 april 2017
F en ik drinken ’s avonds champagne en eten de lekkerste sushi van de stad omdat vandaag bekend is geworden dat ik de European Union Prize for Literature heb gewonnen voor Een honger.

Sushi blijkt een gouden vondst. Tot nu toe is ons avondmaal bijna elke keer verpest door J’s huilen. Alsof ze het wéét: ha, de warme geur van eten, laat ik eens een keel opzetten! Misschien loopt het water haar in de mond, misschien zou ze best wat ander voedsel dan melk lusten, wie weet – ik weet het niet. Wel weet ik dat als ze eenmaal getroost is, al dan niet met melk, ons eigen eten is afgekoeld.

Sushi is bestendig tegen haar huilbuien, want koud. Probleem opgelost.

Wat onthoudt zij hier zelf van, van dit soort avonden?

Niets. Ze zal vergeten. Ze is drie weken oud, en er is al zo oneindig veel gebeurd, dat ook ik alweer dingen begin te vergeten. Haar leven is nog maar net begonnen en het grote verdwijnen begint al. Ik vergeet steeds meer terwijl zij steeds meer zal onthouden. Voorlopig heb ik een voorsprong: de taal. Ik kan vastleggen, zij nog niet. Dit schrijven is eigenlijk geen vrije keuze – ik ben het aan J verplicht.

Jaar 1 (#20)

Donderdag 20 april 2017
Toetsbare hypothesen, daar moet ik naar op zoek. Wat kan ik weten van J’s bewustzijn? Laat ik beginnen met dat wat ik kan zien: gedrag. Twee dagen terug had ik het over Thomas Nagel en zijn essay ‘What Is It Like To Be a Bat?’ Hij sluit dat af met een mooie metafoor om te illustreren dat we nog niet over de kennis beschikken om te begrijpen hoe het fysieke lichaam en brein kunnen leiden tot de subjectieve ervaring van bewustzijn. Hij beschrijft daartoe iemand die geen enkele kennis heeft over metamorfose en die nietsvermoedend een rups in een afgesloten doosje stopt. Weken later maakt hij het doosje open en treft een vlinder aan. Rara hoe kan dat? Diegene kan daar allerlei theorieën over vormen (zomaar een verkeerde gok: er zat een parasiet in de rups, die de rups heeft opgegeten en die vervolgens zelf is uitgegroeid tot de vlinder!). Maar hoe het kan: geen idee.

Als ik ook maar in de buurt wil komen van de miniemste gegevens over J’s bewustzijn, dan moet ik observeren. Beginnen met de feiten. Het nadenken komt later. Kijken – naar haar – en lezen – over het menselijk bewustzijn -, dat is voorlopig mijn taak.

Op het eerste oog lijkt ze nog niet te leren op de Pavlov-wijze (klassieke conditionering), noch op de wijze zoals beschreven door Thorndike en Skinner (operante conditionering). De geluiden van het klaarmaken van een fles (Pavlov) stellen haar althans niet gerust, ze blijft driftig huilen tot ze de speen van de fles tussen haar lippen heeft – dan pas wordt ze stil, onmiddellijk. En ik kan haar nog geen kunstjes leren (Skinner).

Wat leert ze wel? Rustig te worden van een stem, heel soms, als ik er zelf heel erg van overtuigd ben dat alles in orde is, zo heb ik de indruk. Misschien is die indruk vals. Ze lijkt ook wat kalmer tijdens het verschonen, het aankleden. Alsof ze inmiddels wel weet dat ze daar niet bang voor hoeft te zijn.

Toch iets geleerd.

Jaar 1 (#19)

Woensdag 19 april 2017
Onze collectie babyboeken blijkt hoofdzakelijk een prenataal karakter te hebben: tijdens de zwangerschap hebben F en ik onze in de buik verstopte vrucht van week tot week kunnen volgen in haar ontwikkeling, maar sinds ze geboren is en wij haar kunnen zien, is er minder materiaal beschikbaar in huis. Online ga ik op zoek naar bruikbare opvoedboeken.

F heeft van vriendinnen gehoord dat, ondanks de afgrijselijke titel, het boek Buskruit met muisjes niet onaardig is. Ik lees de tekst op de achterflap en wil mezelf ter plekke van kant maken. ‘Met een lichaam vol hormonen, kraamtranen van geluk, enorme borsten en eventueel bevallingsleed, kun je best wat tips en tricks gebruiken. Je moeder is het waarschijnlijk allemaal allang vergeten en je zus of beste vriendin durft misschien geen ongevraagd advies te geven. [...] En je partner? Ja, niet om het een of ander, maar die zit er toch niet op te wachten om een boek te lezen over bevallingen, baby’s en hormonen? Voor hem staat alleen het broodnodige in blauwe kaders, zodat hij niet helemaal onvoorbereid zal zijn.’

Deze attitude van veel Nederlandse wijven. Dat kwebbelige parttime-geleuter. Er van tevoren alvast vanuit gaan dat mannen hopeloze imbecielen zijn die niks met baby’s en opvoeding te maken willen hebben. Rááázend word ik ervan. Vrouwen die dit soort stront schrijven accepteren dus gewoon dat er nooit iets verandert in de verhouding tussen de seksen, en via dat gezellige Prénatal-toontje proberen ze anderen te infecteren met die zieke overtuiging.

Dit boek ga ik dus nóóit kopen en wie het mij cadeau doet, mag het einde van de vriendschap alvast incalculeren.

Ik bekijk nog een paar opvoedboeken, allemaal hetzelfde geneuzel.

Ergens in een kist op mijn werkkamer ligt nog het leerboek kinderpsychologie dat ik tijdens mijn propedeuse gebruikte. Nogal een droge opsomming van wetenschappelijk onderzoek, voor zover ik me herinner, maar alles beter dan de tot suïcide motiverende gezelligheid van de opvoedboeken voor consumenten.