Het goede

(column in Trouw, woensdag 28 december 2016)

Op Kerstavond las ik A Christmas Carol van Dickens. Voor het eerst, moet ik toegeven. Het is zo’n verhaal dat iedereen wel ongeveer kent, maar wie leest het eigenlijk echt? We kijken eerder naar Scrooged, met die verschrikkelijke Bill Murray en zijn immer onaangedane smoelwerk.

Het sprookje van Dickens is heerlijk moralistisch. Ebenezer Scrooge wordt geschetst als de ultieme vrek, Londen is grauw, mistig en vuil, maar tegenover al die kilheid staat de warme vreugde van het Kerstfeest. Scrooge mag dan rijk zijn, de warmte vind je bij de armen, die hun karige bezittingen hartelijk met elkaar delen.

Proeft u het cynisme dat mijn samenvattinkje corrumpeert? Blijkbaar kan ik een wereldbeeld dat uitblinkt in rechtschapenheid niet serieus overbrengen. Het heeft misschien iets te maken met een van de vreemdste veranderingen die ons land de afgelopen jaren heeft ondergaan: we hebben het goede verworpen. Onder invloed van de Grote, Boze Schreeuwlelijkerds, de ik-zeg-wat-ik-denk-en-ik-doe-wat-ik-zeg-brigade (van wie je zou hopen dat ze inderdaad een keertje zouden denken, en dán pas iets zouden zeggen) is ‘goed’ synoniem geworden aan ‘links’, en daarmee aan ‘fout’.

Wonderlijk, want elke samenleving kent weliswaar slechtheid, maar de slechtheid is vrijwel nooit het streven. Het is de uitzondering.

In Nederland hebben we de moraal omgekeerd. Wie het goede wil doen, is een gutmensch – en ja, dat is een scheldwoord. In Nederland bestaan politici die het belang van de vrijheid om haat te zaaien en te discrimineren verdedigen in de Tweede Kamer. In Nederland schijnen we begrip te moeten hebben voor burgers die kwaad zijn omdat we vluchtelingen een onderduikadres aanbieden. (En de vluchtelingen die mogen blijven, moeten leren wie Anne Frank is, want dat vinden we dan weer wél belangrijk.) De moraal is omgekeerd, het goede is slecht geworden.

En toch werd in Urk op Tweede Kerstdag 106.811 euro ingezameld voor Ethiopië. Ethiopië? Is daar dan iets gaande? Heb ik een tv-actie voor giro 555 gemist? Nee. Blijkbaar is liefdadigheid ook mogelijk zonder kabaal, zonder dat er dj’s in een glazen huis gaan zitten, zonder dat politici hun nagels lakken om in de aanloop naar de verkiezingen hun imago nog wat op te poetsen.

George Michael, die op Eerste Kerstdag overleed, blijkt in het geheim veel aan liefdadigheid te hebben gedaan. Dat roept bewondering op. We kennen onze sterren graag eigenschappen toe die we zelf ontberen, en blijkbaar is de eigenschap die we momenteel ontberen, belangeloze goedgeefsheid. Buiten het oog van de camera’s, zonder selfies te maken.

Behoefte aan zulke verhalen blijkt toch te bestaan, in het land waar goed slecht werd.

Ik blijf een ondertoontje van cynisme bespeuren in mijn woorden. Goedheid vraagt nu eenmaal om spot. Maar zoals Dickens schrijft over de ‘genezen’ Ebenezer Scrooge: ‘Hij was verstandig genoeg om te weten dat er op deze aardbol nooit iets goeds gebeurde waarom sommigen zich in het begin niet ziek lachten’.

Lezen en Tellen

Hamilton1
foto: David Hamilton

Heer, sta me bij want ik ga het over vrouwen en literatuur hebben. Daar heb ik me eens eerder aan gewaagd, een paar jaar terug in Vrij Nederland, en toen ben ik een jaar lang voor seksist uitgemaakt. Maar de stupiditeit houdt niet op, dus ik moet wel.

Heer der Literatuur (of bent u een vrouw, een Dame?), ik weet dat ik door tallozen verkeerd gelezen en opzettelijk verkeerd begrepen zal worden. Sinds dat vorige stuk denken ze dat ik dikke romans beter vind dan dunne. Elke keer dat ze daar sindsdien een muf grapje over maken, glimlach ik vriendelijk, maar ondertussen denk ik: stik toch, gij leesblinde, verzuip in je eigen domheid.

Ze dachten ook dat ik een hekel had aan vrouwelijke auteurs. Ik zweer bij Jeanette Winterson, Zadie Smith, Virginia Woolf, Lydia Davis, Alice Munro, Juli Zeh, Emily Brontë, Valeria Luiselli, Hilary Mantel en al die andere heldinnen dat het niet zo is, ik zweer dat ik vrouwelijke auteurs even hoog inschat als mannelijke, maar de onwelwillenden zullen dit niet lezen.

Ze lezen niet wat ze niet willen horen, zodat ze me kunnen verwijten wat ik niet geschreven heb.

Dame, ik zal het simpel houden. Ik ben blij dat een hoofdpijndossier ten einde is: de Lezeres des Vaderlands houdt ermee op. De Lezeres des Vaderlands? Ja, dat is een vrouw of een collectief van vrouwen gebaseerd op het misverstand dat louter cijfers veelzeggend zijn.

Een jaar lang heeft deze Lezeres (laten we enkelvoud aannemen voor het gebruiksgemak) de recensies in boekenbijlagen van kranten en tijdschriften getoetst op man-vrouwverhoudingen. Haar bevindingen plaatste zij op Twitter onder de hashtag #lekkertellen. Serieuze media schreven over dit fenomeen (of nou ja, serieus, ik bedoel: de Groene Amsterdammer, NRC Handelsblad).

Dame, de Lezeres is vanwege het feit dat zij er, na een jaar lang tellen, mee ophoudt, geïnterviewd in de VPRO-gids. Over die geturfde man-vrouwverhoudingen zegt de Lezeres dat die “steeds rond een gemiddelde van dertig procent vrouwen en zeventig procent mannen [bleef] hangen. Er bleek sprake van een hardnekkig patroon.”

Dame, Heer, ik heb dus jaren geleden al in Vrij Nederland aangegeven dat dit niet zo vreemd is. Er verschijnt namelijk meer literair werk van mannen dan van vrouwen. Niet zomaar meer: twee keer zoveel. Zeg maar, heel losjes gerekend: dertig procent vrouwen, zeventig procent mannen.

Dat is sinds dat Vrij Nederland-stuk niet veranderd. Ik heb het voor de gein nog even voor het afgelopen jaar gecontroleerd. Als je de boeken erbij pakt die in 2016 zijn verschenen en ingezonden voor de Libris Literatuurprijs, dan zijn van de 207 titels er 72 door vrouwen geschreven. Ja hoor, een derde. Grofweg dertig procent vrouwen, zeventig procent mannen.

Zei ik toch?

Het probleem ligt dus niet bij de recensenten. Die houden zich gewoon keurig verhoudingsgewijs aan wat er uitkomt. Ik herhaal: het probleem ligt dus niet bij de recensenten. Maar bij de uitgevers.

Als er al een probleem is. Want ja, Dame, dat is ook zo wat.

De meeste Nederlandse literaire uitgevers en redacteuren zijn vrouwen. Zou het niet vreemd zijn, Dame, als die hun seksegenoten stelselmatig buiten de literatuur hielden? En hoe verklaar je dan dat er toch wel degelijk veel vrouwen romans, verhalenbundels en poëzie publiceren en prijzen winnen? Hoe verklaar je wat er wel is, als je alleen let op wat er niet is?

Maar ja, op zulke vragen zinnige antwoorden vinden, vergt heel wat ingewikkelder onderzoek dan een potje turven. Scoort ook minder lekker, want is minder mediageniek. Liever aandachttrekkend geklets, dan nuance die door niemand geretweet wordt, nietwaar?

Hoe dan ook, als je daadwerkelijk misstanden – zo die er zijn – wilt bestrijden, moet je in eerste instantie bij de uitgevers zijn.

Maar de Lezeres, gevraagd naar de uitgeefverhoudingen, zegt in dat VPRO-interview doodleuk: “Ik heb hier nog geen structureel onderzoek naar gedaan. Hoewel ik vermoed dat er meer boeken van mannen dan van vrouwen worden uitgegeven, zou het voor mij niet veel afdoen aan de resultaten van #lekkertellen.”

“Vermoed”.

De cijfers liggen voor het oprapen, maar de Lezeres, die blijkbaar toch niet echt een Telleres is, “vermoedt” slechts dingetjes.

Heer, Dame: kunt u zoveel domheid vergeven? Is het werkelijk mogelijk?

Maar wat klaag ik? Ze legt haar turftaak toch neer, die Lezeres des Vaderlands? Dat is toch goed nieuws?

Dat dacht ik ook, tot ik de slotalinea’s van dat VPRO-interview las.

De Lezeres des Vaderlands: “Zelf stop ik in januari, maar gelukkig heeft #lekkertellen de aandacht getrokken van verschillende mensen die het structureler willen aanpakken. Daarvoor is de kersverse Stichting Tellen opgericht.”

De Stichting Tellen.

Nee, we zijn voorlopig nog niet van de idiotie verlost. Heer, Dame, Literaire God van Alle Schrijvers, Uitgevers en Critici: waarom hebt u ons verlaten?

Column Trouw etc.

Deze en volgende week vervang ik Stevo Akkerman als columnist op pagina 2 van Trouw. Lees de eerste bijdrage hier via Blendle.

Verder schreef ik voor de eindejaarsspecial van Trouw een terugblik op 2016 (hier via Blendle).

En in de Volkskrant van 17 december besprak ik de nieuwe editie van De verhalen van Jorge Luis Borges. Arjen Peters nam De essays voor zijn rekening. (Hier en hier via de website van de Volkskrant, of hier en hier via Blendle.)

 

Gespeculeer

PCHooftprijs

Morgen maken ze de winnaar van de P.C. Hooftprijs 2017 bekend. Dit jaar gaat die naar essayistiek, zoveel weten we alvast, en dat leidde de afgelopen dagen tot gespeculeer in de kranten. In NRC Handelsblad van vrijdag strooide Arjen Fortuin met deze namen: Brouwers, Etty, Mak, Koot, Barnard, Februari.

Hoogst eigenaardig – Etty? Are you kidding me? – maar goed, ieder z’n meug.

Zorgelijker is de toon in Trouw, vandaag (Blendle-link). De essayistenspoeling is dun, vinden enkele ondervraagde kenners. Criticus Rob Schouten denkt dat de essayistiek niet “sexy” genoeg is, hoogleraar Yra van Dijk noemt het beschouwend proza in Nederland zelfs “zo’n beetje dood”.

Verder komt Marja Pruis aan het woord, die volgens mij nooit meer iets anders leest dan De Groene Amsterdammer, en die daarom eigenlijk van mening is – als je tussen de regels door leest – dat zij zelf die P.C. Hooftprijs voor beschouwend proza verdient. “Maar dat vind ik ook weer zoiets stoms om te zeggen.”

Inderdaad, Marja.

De naam Bas Heijne valt een paar keer. Er zijn heel veel redenen om dat een slecht idee te vinden – in dit stuk uit 2011 geef ik er een paar.

Opvallend is het ontbreken van de naam P.F. Thomése. Genadeloos fileert hij de literaire wereld en zichzelf in zijn essaybundels Nergensman en Verzameld nachtwerk, maar mensen denken graag in hokjes, en Thomése zal wel in eerste instantie als romancier gezien worden – al heeft hij zijn bekendheid bij het grote publiek toch echt te danken aan beschouwend proza, ja, dat mooie autobiografische boekje over een rouwproces: Schaduwkind.

Opvallend is ook dat Kristien Hemmerechts ontbreekt. Haar essay De man, zijn penis en het mes is een van de belachelijkste dingen die ik ooit las, maar verdomd zeg, het blijft je wel bij, en dat is ook wat waard. Maar Hemmerechts zit zelf in de jury van de prijs, dus die gaat ‘m niet krijgen.

Het enige juiste antwoord op de vraag wie die prijs verdient, is natuurlijk Oek de Jong. Waarom noemt niemand hém? Hij schreef de zinderende, eigenzinnige bundels Een man die in de toekomst springt en Het visioen aan de binnenbaai. Daarnaast het lange essay Wat alleen de roman kan zeggen en het dagboek De wonderen van de heilbot, dat als één doorlopend essay over literatuur en beeldende kunst beschouwd kan worden.

Als Oek de Jong die prijs krijgt, begrijpt iedereen dat die bekroning natuurlijk óók gewoon zijn romans geldt.