Johannes Vermeer Award to Janine Jansen

Earlier this year I became a jury member of the Johannes Vermeer Award, the Dutch state prize for the arts. This year the prize went to violinist Janine Jansen. Minister for Education, Culture and Science Ingrid van Engelshoven presented the award on Monday 29 October 2018 in the Ridderzaal in The Hague.

Below is a picture of the jury, the minister and Janine Jansen on the evening of the award ceremony.

JohannesVermeerAward2018
(From left to right: Jamal Ouariachi, Mariëlle Hendriks, Michel van der Aa, Els van der Plas, Janine Jansen, minister Ingrid van Engelshoven, Jeroen Krabbé, Annabelle Birnie)

If you want to learn more about Janine Jansen, watch this phenomenal documentary about her, directed by Paul Cohen.

Het n-woord

JerryAfriyie
Jerry Afriyie als tweederangs burger bij Twan Huys

Ik schreef gisteren een paar tweetjes. Daar kwamen wat reacties op. Uit die reacties bleek nogal wat onbegrip. Nu weet iedereen die weleens een opiniërend stuk of stevige tweet schrijft, dat onbegrip er gratis bij wordt geleverd, maar nu werd het wel erg extreem. Racist, werd er veelal geroepen. En: valse slang en lasteraar, dat soort dingen. Nou, een beetje extra uitleg dan maar. Waarschijnlijk voor dovemansoren, maar je weet maar nooit.

Dit schreef ik:

Gevolgd door:

En:

Wat was er gebeurd? Twan Huys had Jenny Douwes uitgenodigd, de initiatiefneemster van de blokkade van de A7, op de dag van de landelijke sinterklaasintocht in 2017. De blokkeerders probeerden daarmee anti-ZwartePiet-activisten te verhinderen te demonstreren tijdens de intocht. Douwes mocht komen praten over de rechtszaak die momenteel loopt tegen haar en haar medestanders. Aanvankelijk aan de zijlijn: Jerry Afriyie, anti-Zwarte Piet-activist, die door Douwes niet aan tafel getolereerd werd, totdat Huys dat alsnog afdwong.

Kijk, en huiver.

Waar komen die tweets van mij nu vandaan?

De verdediging van de Blokkeerfriezen weet keer op keer te benadrukken dat de zaak niets met de Zwarte Pieten-discussie te maken heeft. Dat dit doorzichtige frame klakkeloos door Jan en alleman wordt overgenomen, mag verbijsterend heten. Die blokkade was er nooit geweest als er in Nederland niet al jarenlang een Zwarte Pieten-discussie had gewoed. Bovendien refereert de verdediging graag naar andere gevallen van grensoverschrijdend gedrag, die wel getolereerd worden. Politie-acties, bijvoorbeeld, waarbij eveneens het verkeerd belemmerd wordt. Met andere woorden: soms is burgerlijke ongehoorzaamheid geaccepteerd, namelijk: wanneer de aanleiding belangrijk genoeg is. De aanleiding is hier: Zwarte Piet, en de activisten die tegen zijn ouderwetse belichaming protesteren, omdat die racistisch zou zijn. Die activisten moesten volgens de Blokkeerfriezen tegengehouden worden. Deze hele kwestie heeft, kortom, alles, álles te maken met de Zwarte Pieten-discussie. Zonder Piet geen demonstratie. Zonder demonstratie geen blokkade – en dus geen rechtszaak.

Nog een stapje terug, om zo helder mogelijk te zijn: waar gáát die Zwarte Pieten-discussie eigenlijk over? Over racisme ja, maar is het niet flauw om daarvoor het symbool van een vrolijk kinderfeest, Zwarte Piet, te misbruiken? Nee. Wie mij een beetje volgt, weet dat ik mij geregeld kritisch uitlaat over de methodes en argumenten van de anti-racismebeweging in Nederland, maar nu juist op het gebied van Zwarte Piet hebben ze een goed punt. Wanneer groepen mensen in Nederland het gevoel hebben consequent als tweederangsburgers behandeld te worden, en als de indoctrinatie van dat gevoel al in de kindertijd begint, doordat zwarte kinderen vergeleken worden met die rare knecht van de blanke heerser Sinterklaas, die knecht met zijn fratsen en zijn domme gedrag, dan is het dus zaak om dáár al te beginnen met verandering af te dwingen. Een beschaafd land behoort alleen eersterangs burgers te kennen, en hoort zeker de kinderen die in dat land opgroeien, van begin af aan het gevoel te geven dat ze geen cent minder waard zijn dan andere kinderen, puur vanwege hun huidskleur.

Dáár gaat de discussie in essentie over. En wat gebeurde er nu bij die A7-blokkade? Mensen die wensten te demonstreren tegen de maatschappelijke misstand van het tweederangs burgerschap, werden monddood gemaakt. Dat is op zichzelf al een overtreding van de wet, en het gebruikte middel, een blokkade, is dat eveneens.

Wat gebeurde er vervolgens in die uitzending van RTL Late Night? De belangrijkste verdachte van deze misdrijven, degene die ertoe opriep, Jenny Douwes, krijgt als eerste het woord en mag vertellen dat zij niet bereid is aan tafel te zitten met de andere partij, lees: de demonstranten die zich niet als tweederangs burgers wensen te laten behandelen. En de redactie van RTL Late Night gaat hier in eerste instantie in mee, door die tweederangs burgers ook echt als zodanig te presenteren: Jerry Afriyie mocht in eerste instantie slechts in het publiek zitten, niet aan de talkshowtafel.

Eerst mocht de verdachte, de dader, het woord voeren. Daarna pas de monddood gemaakte.

Stel je even voor: Harvey Weinstein – een verdachte, nietwaar – schuift aan bij een belangrijke talkshow om te klagen over die nare rechtszaken tegen hem. In het publiek zitten zijn slachtoffers: enkele van de door hem aangerande vrouwen. Zij zijn in eerste instantie niet aan tafel gewenst omdat Weinstein niet zo’n hoge dunk van hen heeft. Wie zou dat in godsnaam accepteren?

Nikker is nooit een fijn woord geweest. In de loop der tijd gingen we voor mensen met een kleurtje termen als ‘gastarbeider’ en ‘buitenlander’ gebruiken, ‘nikker’ werd ‘neger’ en ‘neger’ werd ‘zwarte’. Uiteindelijk kregen we ook het zogenaamd neutrale ‘allochtoon’, en nu is de correcte aanspreekvorm: Nederlander met een migratie-achtergrond. Nog steeds geen echte Nederlander, kortom. Het is allemaal onzin. Als je de maatschappelijke misstanden achter die naamgeving niet corrigeert, als je mensen blijft behandelen als tweederangs burgers, dan maakt het niet uit welke politiek correcte term je gebruikt: het blijven nikkers, het blijven tweederangs burgers.

Heeft Jenny Douwes dat beruchte woord ‘nikker’ gebruikt in de uitzending van Twan Huys? Nee, allerminst. Ik gebruikte het in mijn tweet dan ook niet als citaat maar als ironische middle name, zoals wanneer ik mezelf zou aanduiden als Jamal ‘ik ben een ranzige, valse lasteraar’ Ouariachi. Ik gebruikte het om te laten zien dat Douwes met haar gedrag en haar woorden bevestigde dat iemand die protesteert tegen tweederangs burgerschap, in haar ogen geen recht van spreken heeft, ja, blijkbaar nog steeds een nikker is.

Dáárom gebruikte ik dat woord. Dáárover gaan die tweets. Ik sta er nog steeds achter, in de wetenschap dat het velen geen reet uitmaakt dat anderen zich minder geaccepteerd voelen dan ‘blanke’ Nederlanders. Het zijn de types als de huilers van GeenStijl bijvoorbeeld, de types die iedereen wensen uit te kafferen maar beginnen te piepen als je eens iets onwelgevalligs terugzegt – ja, het zijn die types die zich zouden moeten schamen. De verheerlijkers van Jenny Douwes: die zouden zich moeten schamen. Niet ik.

Iemand een pepernoot, trouwens?

Afgedwongen inclusiviteit

BW19_Header-Statement_550

Onlangs kwam de CPNB, de stichting die onder meer de Boekenweek organiseert, nogal negatief in het nieuws. De Boekenweek van volgend jaar draagt het hoogst oubollige thema ‘De moeder, de vrouw’, en voor het schrijven van het bijbehorende Boekenweekgeschenk en het Boekenweekessay werd niet één vrouw, maar werden wél twee mannen gevraagd.

Rumoer in de letteren! Er kwam een petitie, die ook ik ondertekende. Niet uit doorgeslagen gelijkheidsdenken, maar omdat juist de man-vrouw-verhouding bij zowel geschenk als essay al decennia lang hemeltergend scheef is.

De CPNB komt vandaag met een verklaring die tot in de vezels aantoont wat nu precies het probleem is bij die organisatie. ‘De CPNB nam daarom het initiatief tot een gesprek,’ staat in de verklaring. Nee, de organisatoren van de petitie namen het initiatief, niet de CPNB. Die ging slechts huilend door de knieën om de imagoschade een beetje in te perken. Want als je de reacties van de CPNB in de eerste dagen na de rel las, kon je voortreffelijk zien dat ze volledig achter hun oorspronkelijke keuze stonden en niets begrepen van alle commotie.

De organisatie schrijft ook: ‘Door actief te kiezen voor gendergelijkheid en diversiteit wil de CPNB bijdragen aan een inclusieve samenleving.’ Wederom: nee, dat is dus niet actief, als je er eerst met een petitie in NRC Handelsblad en De Morgen op gewezen moet worden. Claim toch niet een soort leidersrol, als je niets doet dan slaafs de publieke opinie volgen! Sla een woordenboek open en leer wat de woorden ‘initiatief’ en ‘actief’ betekenen!

En dan de ‘oplossing’ zelf: een vrouwenquotum. De CPNB gaat de komende vijf jaar eens experimenteren met een volstrekt eerlijke man-vrouw-verhouding als het om het Boekenweekgeschenk en het Boekenweekessay gaat. Ja, vijf jaar, voorlopig. Want je weet maar nooit. Straks vallen de cijfers tegen. Dan gaan we natuurlijk gewoon weer als vanouds slechts eens in de twintig jaar een excuusvrouwtje vragen, nietwaar?

Een quotum – maak me dood. Een quotum is een extern instrument, waarmee je de verantwoordelijkheid buiten jezelf legt. Want het werkelijke probleem is dat de CPNB zich niet allang automatisch bewust is geweest van hoe de maatschappelijke verhoudingen liggen. Het is een bloody shame als je er door honderden schrijvers, uitgevers en redacteuren op gewezen moet worden dat er in Nederland en België zowel mannelijke als vrouwelijke schrijvers opereren.

Dat was mijn voornaamste bezwaar tegen de Boekenweekkeuze van de CPNB en de reden om die petitie te ondertekenen. Er zijn zó veel goede en succesvolle vrouwelijke auteurs in het Nederlandse taalgebied - waarom zien ze die niet bij de CPNB? Hebben ze dan werkelijk helemaal núl verstand van lezen? Als er iemand ‘leesbevordering’ nodig heeft, om dat afgrijselijke CPNB-woord maar eens te gebruiken, dan is het de CPNB zelf wel!

Laat ik het anders brengen. Afgelopen zondag trad ik in Rotterdam op tijdens de 31e editie van het literaire programma Frontaal Podium. Pas achteraf realiseerde ik me dat van de vijf schrijvers die daar het podium deelden, er vier vrouw waren. Van de vijf hadden er vier een geheel of deels allochtoniaanse achtergrond. Maar nergens, nergens tijdens die hele godvergeten middag werden daar woorden aan vuil gemaakt. Als je op de website van Frontaal Podium kijkt, staan daar geen glijerige pr-teksten over diversiteit, gendergelijkheid of ‘bijdragen aan een inclusieve samenleving’, zoals bij de CPNB, terwijl ze bij Frontaal wel degelijk ook ideële motieven hebben. Maar toch vooral literaire.

Als je jezelf zo hard op de borst moet kloppen als de CPNB vanwege je – afgedwongen! – inclusiviteit, dan stinkt er iets.

Een vrouwenquotum, mijn God, hoe kom je erop… Het is nu wachten tot de samenstellers van het omgekeerd-racistische boek ‘Zwart’ een petitie inleveren bij de CPNB om een eerlijk percentage ‘zwarte schrijvers’ (whatever that may be) op te eisen. Want ja, hé, als we gereguleerd inclusief gaan zitten doen, dan lust ik er nog wel een paar…

 

 

Kwaliteitscriteria: over de Libris Literatuurprijs 2018

Disclaimer: ik was dit jaar niet in de race voor de Libris Literatuurprijs omdat ik in 2017 geen roman heb gepubliceerd, dus u kunt eventueel gepsychologiseer voor u houden: afgunst is niet mijn motief voor het schrijven van onderstaande tekst. Liefde voor literatuur wel.

Daar gaan we. Gisteren won Murat Isik de Libris Literatuurprijs voor zijn roman Wees onzichtbaar. Etiquette schrijft voor dat ik de winnaar nu feliciteer, en in principe gun ik het die jongen ook echt; de paar keer dat ik Murat gesproken heb in het literaire circuit, kwam hij op mij over als een aardige kerel. Maar aardige mensen schrijven niet altijd fantastische boeken.

Ik sla de eerste pagina van Wees onzichtbaar op en lees het volgende.

In de tijd dat de eerste springers te pletter vielen van onze flat, begon mijn vader aan zijn nachtelijke pleziertochten door Amsterdam.

Tja. Wanneer die springers te pletter begonnen te vallen is op dit punt in het boek – zin één – nog niet bekend, dus nu weten we eigenlijk nóg niet wanneer die vader precies aan zijn nachtelijke pleziertochten begon, terwijl dit toch de voornaamste functie van deze zin lijkt te zijn: dat duidelijk maken. Trouwens, wat is het nou? Springen ze of vallen ze, die springers?

Ik stond op het balkon en keek uit over onze wijk. In het zwakke schijnsel van de lantaarnpalen was het alsof schimmen door de verlaten straten trokken en de geesten van de springers door de kale bosjes doolden.

Het schijnsel van lantaarnpalen ís niet zwak – zeker niet in de Bijlmer in de jaren tachtig waar het boek zich afspeelt, zo weet ik uit eigen observatie. Dat zou namelijk volledig voorbijgaan aan het doel van een lantaarnpaal: licht brengen in de duisternis. En waarom was het alsof schimmen in dat schijnsel rondtrokken? Bedoelt hij niet juist dat er beweging te zien was buiten het schijnsel van die lantaarnpalen? Dan heb je het inderdaad over een schim. Een gestalte die in het licht loopt is geen schim.

De redacteur van dienst hield het manuscript bij het lezen van deze schimmige zin blijkbaar niet in het schijnsel van zijn of haar bureaulamp, anders was er wel op z’n minst een vraagtekentje genoteerd in de kantlijn.

Terwijl de kou van het beton in mijn blote voeten trok en mijn handen zich als reptielklauwen om de balustrade klemden, vroeg ik me af of dit het begin was van onze persoonlijke nachtmerrie, of dat mijn vader weer zwalkend zijn weg naar huis zou vinden.

Waar te beginnen? Bij die reptielklauwen misschien maar. Hoezo ‘als reptielklauwen’? Wat is dat voor overbodige poging tot literaire interessantdoenerij? Mensenhanden kunnen zich toch prima om een balustrade klemmen? Dan is het beeld toch helder? Waarom reptielklauwen? Omdat zijn blote voeten koud zijn en hij daarmee een koudbloedig wezen is geworden? Dat lijkt me toch echt een onbedoelde associatie.

En verder: dit is dus verteld vanuit het perspectief van een kind. Dat kind vraagt zich hier af ‘of dit het begin was van onze persoonlijke nachtmerrie’. Hoezo zou dat kind zich dat afvragen naar aanleiding van schimmen die in of buiten het schijnsel van een lantaarnpaal door de buurt trekken? En wat is dat voor harkerige therapeutische woordkeuze, ‘onze persoonlijke nachtmerrie’?

Met een onrustig gemoed keerde ik terug naar bed. Niet veel later werd ik gewekt door braakgeluiden uit de badkamer: mijn vader ontdeed zijn lichaam voor de tweede nacht op rij van de vurige whisky die hij er even daarvoor onbezonnen in had gegoten in het gezelschap van mensen die wij nooit zouden ontmoeten.

Het stompzinnigste woord is hier: ‘vurige’. Vurige whisky. Dit is een joekel van een perspectieffout, want hoe weet die kleine dreumes nou of het inderdaad specifiek vurige whisky was? Misschien was het wel een heel milde whisky. En als hij soms denkt dat álle whisky’s vurig zijn, dan staat hier dus een pleonasme. Da’s net zoiets als noteren dat zeewater zout is.

Goed. Ik sla even een soaperig clichédialoogje over (‘Waar was je al die tijd?’) om uw geduld niet al te zeer op de proef te stellen. Dit proloogje, waarmee het boek dus begint, eindigt met deze alinea:

We moesten geduld hebben, hield ik mezelf voor. We moesten geduld hebben en doorstaan wat op ons afkwam. Het had geen zin om weg te lopen voor de pijn, we konden nergens heen. En als het ons te veel werd, moesten we onzichtbaar zijn.

Toe maar, wat een wijsheid voor zo’n kleintje. ‘Het had geen zin’ – je zou er zomaar een heel zelfhulpboek voor kleuters mee kunnen vullen.

Wat volgt is een tranentrekkend zieligheidsverhaal, dat voortdurend naar het medelijden van de lezer solliciteert. Het is genoteerd in ambtenarenproza dat bijna verkruimelt van machteloosheid. En dat wint dan de belangrijkste commerciële literaire prijs van Nederland.

Er bestaat een leuk boekje genaamd Schrijfstijl, geschreven door Heidi Aalbrecht. Alles wat je moet weten om een leesbare en correcte zin te produceren, komt daarin aan de orde, geïllustreerd met voorbeeldzinnen uit het werk van Nederlandse schrijvers. Veel van de voorbeelden van hoe het niet moet, komen voor rekening van Abdelkader Benali. Mijn hemel, wat een brokkenpiloot is dat. Ook hij won trouwens ooit de Libris Literatuurprijs. En toeval of niet: hij was dit jaar voorzitter van de Libris-jury.

Het mag misschien niet verbazen in een land waar een stoethaspel-met-taalachterstand als Kader Abdolah gezien wordt als een grootmeester – maar mensen, lieve lieve lieve mensen, is het echt te veel gevraagd om minimale technische kwaliteitscriteria te hanteren bij het toekennen van een prijs? Dit is een grove, grove belediging voor de vijf andere genomineerden en hun taalvirtuoze boeken.

House of Leaves

HouseOfLeavesP120-121Marnix Verplancke schreef voor De Morgen over de 18 jaar oude en dus volwassen geworden roman House of Leaves van Mark Z. Danielewski. Ik had ook het een en ander te melden over dat fenomenale boek.

“In tegenstelling tot wat wij geneigd zijn te denken, komen originele ideeën nooit uit de lucht vallen. Weinig is zo traditioneel als originaliteit. Originaliteit die niet in een traditie wortelt, is geen originaliteit maar gewoon absurde onzin.”

Hier het hele stuk als pdf.

Van a naar b kruipen

Fisher-Price-emmertjeZe heeft een emmertje met daarin plastic blokjes in verschillende vormen en kleuren, en daar speelt ze graag mee. Ze houdt er ook van te spelen met dingen die niet als speelgoed bedoeld zijn, zoals een ronde plastic bak met deksel, bedoeld om flessen te steriliseren in de magnetron.

Vanochtend zag ik haar driftig heen en weer kruipen tussen keuken en woonkamer. Telkens haalde ze in de woonkamer een van de gekleurde blokjes uit haar emmertje, kroop op topsnelheid naar de keuken, deponeerde het blokje in de flessensterilisator, en keerde terug voor een nieuwe lading. Hijgend van inspanning.

Ik moest er vreselijk om lachen – maar waarom eigenlijk? Omdat het zo’n zinloze bezigheid was? Niet zinlozer dan wanneer ze de blokjes in het emmertje zou stoppen waar ze in thuishoren. En trouwens, is ordening niet een vorm van zingeving? Het was een strak geordend spel, de regels waren glashelder: naar punt a kruipen, blokje pakken, naar punt b kruipen, blokje afleveren.

Misschien moest ik lachen omdat ze zich ons huis volkomen heeft eigengemaakt. Alles, elke kamer en elk object, is behalve van ons óók van haar. Ze heeft geen boodschap aan huurcontracten, garantiebewijzen, pinbonnetjes. Alles wat van ons is, is ook van haar. De mens is een kolonisator zodra hij de grenzen van zijn eigen terrein kan overschrijden, zodra hij zich kan voortbewegen.

Dr. Onno

Onno Blom tijdens zijn "promotie"
Onno Blom tijdens zijn “promotie”. Paranimf Jochem Myjer probeert zijn lachen in te houden.

Het is me een raadsel waarom we genoegen nemen met het ondermaatse. Niet af en toe, maar dag in dag uit. Ik maak me, vooral op Twitter, vaak kwaad over de Volkskrant, en dan met name het zaterdagse boekenkatern, Sir Edmund. Ik doe dat niet uit sikkeneurigheid. Ik doe het omdat ik op een welhaast religieuze wijze verknocht ben aan literatuur, gelóóf in literatuur. Ik kan het niet uitstaan als literatuur behandeld wordt als een velletje toiletpapier: na één keer vegen flikker je het in de pot en kijk je er niet meer naar om.

Criticus Onno Blom promoveerde vorig jaar op zijn biografie van Jan Wolkers. Dat had wat voeten in de aarde. Het ‘proefschrift’ werd eerst afgewezen, toen kwam er een nieuwe promotiecommissie, en toen werd het wél geaccepteerd. Raar. Over zo’n gang van zaken heb ik nog nooit gehoord uit de hoek van de theoretische natuurkunde, maar goed, literatuur is een eigenzinnige business.

Onno Blom, inmiddels dus Dr. Onno, werd na zijn daverende promotie vaste ‘literatuurmedewerker’ van Sir Edmund van de Volkskrant. Dit weekend schreef hij voor dat katern een artikel van drie pagina’s (plus één paginavullende naaktfoto) over seks in de Nederlandse letteren. Er is namelijk een mooi boekje verschenen over pornografie en erotica ‘in de Nederlanden’, Onder de toonbank, en ja, dan weet je het wel. Daar worden de vagijntjes en penissen van muffe Volkskrant-redacteuren respectievelijk nat en stijf van, en dan gaan ze heel veel blote tietenfoto’s afdrukken en heel veel stukken over seks publiceren, want er is een aanleiding, dus dan mag het. (Gaap.)

Enfin. Dr. Onno over seks in de literatuur, dus. Hij bespreekt achtereenvolgens: Fik Meijer, Gerrit Komrij, Gerard Reve, Louis Couperus, Lodewijk van Deyssel, W.F. Hermans, Jan Cremer, Jan Wolkers (substantieel!), Joost Zwagerman, Ronald Giphart, Herman Brusselmans, Louis Paul Boon, zijn vriend Ilja Leonard Pfeijffer, P.F. Thomése, Arnon Grunberg, en dan ook nog eventjes A.F.Th. van der Heijden.

Over die laatste noteert hij: ‘A.F.Th. van der Heijden tovert je in barokke zinnen “cunnilingus ad absurdum” voor ogen. In het bibliofiel verschenen Kastanje a/d Zee – De Tandeloze Tijd deel 7 helpt de gehavende Marike de held van de cyclus, Albert Egberts, van diens mannelijke onmacht af.’

Huh? Ik heb deel 7 van De Tandeloze Tijd, net als de andere delen, gelezen, en dat gaat inderdaad over genoemde personages, maar met een heel andere inzet. Die Marike hielp Albert van zijn ‘mannelijke onmacht’ af in deel 2 van De Tandeloze Tijd, De gevarendriehoek. Niet in deel 7. En waar komt dat ‘cunnilingus ad absurdum’ toch vandaan? Blijf even bij me…

In de volgende alinea komt Dr. Onno namelijk eindelijk – na het bespreken van zestien mannelijke auteurs – maar liefst één alinea lang te spreken over vrouwelijke auteurs. Want die moeten ook nog even afgewerkt worden. Hij haalt #MeToo erbij – en echt, ik ben niet het type om bij elk vrouwonvriendelijk opmerkinkje feministisch te gaan steigeren, heus niet, maar what the fuck hebben seksscènes in romans en verhalen van vrouwelijke auteurs in vredesnaam met #MeToo te maken? Dr. Onno noemt wat namen van vrouwelijke auteurs die ‘van wanten’ weten, en voegt eraan toe: ‘lees er de baksteendikke bloemlezing De Nederlandse erotische literatuur in 80 en enige verhalen, samengesteld door Elsbeth Etty, maar op na.’

Dat heeft Dr. Onno zelf niet gedaan. Die heeft alleen de inhoudsopgave bestudeerd, waar hij de damesnamen voor dat ene alineaatje van zijn artikel over vrouwen uit geplukt heeft. Als hij hun verhalen wél gelezen heeft, vond hij het in ieder geval niet de moeite waard eruit te citeren, blijkbaar.

Maar hé, ineens begrijpen we dat ‘cunnilingus ad absurdum’. Dat is een vroege versie van een hoofdstuk uit Advocaat van de Hanen, deel 4 (dus niet deel 7) van De Tandeloze Tijd van A.F.Th. van der Heijden, als kort verhaal voorgepubliceerd in Penthouse, en in die versie opgenomen in de bloemlezing van Elsbeth Etty, die geen romanfragmenten wilde, maar louter korte verhalen.

Arme Dr. Onno! Hij is dus echt niet verder gekomen dan die inhoudsopgave!

Dr. Onno sluit zijn opstel als volgt af: ‘Goede porno is ook goede literatuur. Die zou er zomaar eens toe kunnen leiden dat je – zoals Jan Wolkers criticus Carel Peeters eens aankondigde – je eigen stijve lul als bladwijzer kan gebruiken.’

Leuk voor de vrouwelijke Sir Edmund-lezers, zo’n slotsom! Maar misschien moet Dr. Onno zijn ‘eigen stijve lul’ maar eens wat minder vaak als bladwijzer gebruiken. Dan komt hij er misschien wat vaker aan toe om de boeken op zijn hitsige schoot ook echt te lezen. En dan niet alleen de inhoudsopgave, maar het héle boek. Kom, Blom, je kan het!