Nabokov Herlezen #3: ‘Wingstroke’

Woensdag 19 juli 2017
Ik denk dat ‘Wingstroke’ (‘Een slag van de vleugel’) een van de eerste ‘gecodeerde’ verhalen is die Nabokov schreef, in oktober 1923 om precies te zijn, en hij publiceerde het in januari 1924 in het emigrantenblad Russkoye Ekho (De Russische Echo). Gecodeerd, omdat de tekst zoveel opzichtige onduidelijkheden bevat en vragen oproept.

Een man genaamd Kern zoekt afleiding in een ski-resort nadat zijn vrouw, die hem bedroog, zelfmoord heeft gepleegd. Hij raakt gecharmeerd van een Engelse schone genaamd Isabel, maar die laat zich liever verleiden door allerhande knappe knullen waar het van wemelt in dat oord. Tot zover een klip en klaar relaas.

Kern zoekt afleiding in een drinkgelag met een obscure figuur genaamd Monfiori. Hij denkt erover zelfmoord te plegen, maar kan met zijn dronken kop de verleiding niet weerstaan Isabels kamer binnen te gaan (ze heeft de sleutel aan de buitenkant in het slot laten zitten). Als hij binnen is, vlucht ze weg en op dat moment komt er door het openstaande raam een stinkende engel binnengevlogen. Kern rent naar zijn eigen kamer om zijn pistool te halen, maar bij terugkeer is de engel verdwenen.

De volgende dag verongelukt Isabel tijdens een ski-stunt. Gestraft door de engel, via een slag van diens vleugel?

De eerste reactie op dit lange verhaal zal er bij de meeste lezers waarschijnlijk een van verbijstering zijn (bij mij wel), of misschien wel ergernis (ook een beetje ja,): wat wil je nou, man? Wat moet ik hiermee?

Het enige wat dan helpt, is herlezen. Rustig alles nog eens nalopen, en verdomd, dan beginnen er dingen op te vallen. Dat er nogal gul met christelijke symboliek gestrooid wordt, bijvoorbeeld. Meteen al in die eerste zin: ‘Wanneer de gebogen punt van de ene ski over de andere gaat,’ staat er weliswaar in het Nederlands, maar in het Engels lees ik: ‘When the curved tip of one ski crosses the other’ en dan blijft mijn oog haken aan dat woord ‘crosses’ (het verhaal is trouwens oorspronkelijk in het Russisch geschreven, maar dat kan ik niet lezen – misschien zoek ik er nu te veel achter). Verder is er Monfiori’s fascinatie voor het Bijbelboek Job, Kerns huwelijk met zijn overleden vrouw duurde zeven jaren, Isabel zou naar Jezebel kunnen verwijzen, er is een discussie over God (‘een gasvormig gewerveld dier’) en er komen nogal wat druiven voorbij (in de iconografie het symbool voor het Laatste Avondmaal), en trouwens niet alleen druiven: op zeker moment bestelt Kern een avondmaal bestaande uit ‘koude rosbief, druiven en een fles Chianti’. Voor de liefhebbers van het lichaam en het bloed van Jezus.

En dan is er natuurlijk die engel. En helemaal op het eind wordt het spel met die ski’s uit het begin alsnog expliciet: ‘Met een zacht fluitend geluid scheerde ze de schans af, vloog omhoog, hing bewegingloos in de lucht, gekruisigd.’

En dan?

Die Monfiori is een raadselachtige figuur. Hij suggereert homoseksueel te zijn (over Isabel zegt hij: ‘Zij is een vrouw. En ik heb andere voorkeuren.’). Hij lijkt Kern ook te willen ‘verleiden’ tot dat rare drinkgelag, die ‘Bacchustoer’, en aan het eind van het verhaal lijkt hij in zijn opzet geslaagd: hij vertrekt samen met Kern naar diens kamer.

Maar dat is niet het punt, denk ik. Monfiori wordt als een nogal duivels kereltje beschreven, ‘spitse oren’, ‘geitenogen’, die obsessie met Job, de manier waarop hij Kern tot dat drinkgelag (de zonde) verleidt, en dan zijn reactie wanneer Kern bekent zelfmoord te willen plegen: ‘Ik zoek overal naar types als u – in dure hotels, in treinen, in badplaatsen, ’s nachts op de kades van grote steden.’ Hij zoekt dus naar mensen die wanhopig zijn en dan verleidt hij hen tot zondige daden. Zelfmoord?

Misschien, maar ik denk eigenlijk dat Kern een moord pleegt. De moord op Isabel. Verleid door de duivel, die hem dronken voert. Zij is De Onschuldige, die verkeert met engelen – en die gekruisigd wordt op het einde.

Wat Kern doet, is op Isabel de woede over het overspel van zijn vrouw ‘projecteren’. Isabel verkiest óók andere mannen boven Kern en is daarmee een ‘zondige’ vrouw (een Jezebel). Door haar te vermoorden neemt Kern alsnog symbolisch wraak op zijn vrouw. Dat is wat er op het einde gebeurt, en dat is waarom Kern als een waanzinnige begint te lachen onderweg terug naar zijn hotelkamer.

Denk ik.

Dat ‘projecteren’ klinkt natuurlijk erg freudiaans, zoals ook Monfiori’s voorkeur voor het biljartspel ernstig freudiaans overkomt. Nabokov was een groot hater van Freud, hij liet geen gelegenheid onbenut om de ‘Viennese quack’ te bespotten. Maar misschien dat hij in zijn vroegste verhalen toch de verleiding niet heeft kunnen weerstaan een beetje te spelen met freudiaanse beelden en principes.

Dat is trouwens wel een beetje mijn algemene indruk van dit verhaal en de veelheid van symbolen die erin voorbij flitsen: er lijkt geen zorgvuldige constructie achter schuil te gaan. Het lijkt wel alsof Nabokov vooral wil doen alsof er heel veel betekenis achter dit verhaal schuilgaat door raadsels uit te zetten waar geen oplossing voor is. Dat is in zijn latere werk wel anders… Snel verder dus – tot volgende week!

 

Raszuivere taal

(Column voor Trouw, woensdag 19 juli 2017)

Weinig maatschappelijke discussies zijn zo hemeltergend als die over culturele toe-eigening. Mag Beyoncé zich in een videoclip in Indiase kledij hullen? Nee, afblijven! Mag Lionel Shriver in haar romans personages introduceren met een andere etnische achtergrond dan de hare? Nee, afblijven! In tijden van identiteitspolitiek is elke culturele uiting een potentiële aanranding.

Recentelijk richtten de bestrijders van ongeoorloofde culturele toe-eigening zich op een aanstaande nieuwe verfilming van Disney’s Aladdin. Regisseur Guy Ritchie dacht de kritiek voor te zijn: hij zocht – én vond – een acteur met Arabische wortels. Dat was buiten de absurditeit van de legers der gekwetsten gerekend. Aladdin ís helemaal niet Arabisch maar Indiaas! Nee, hij is Chinees! Nee, hij is een product van Europese culturele toe-eigening!

Dames en heren: Aladdin is een sprookjesfiguur. Waarom dat sprookje voor de tigste keer verfilmd moet worden is mij ook een raadsel, maar kwetsend?

In eigen land kunnen we er ook wat van. Een uiterst pijnlijk voorbeeld deed zich onlangs voor in de nasleep van de tragedie rond voetballer Abdelhak ‘Appie’ Nouri. Uit de hoek van antiracistische activisten klonk de kritiek dat Nouri wel heel gretig werd gevierd als toonbeeld van geslaagde integratie. Alsof hij dat niet eenvoudigweg is!

Maar het kan nog gekker: dat hij telkens maar ‘Appie’ werd genoemd, schoot het ongeleide antiracisme-projectiel Arzu Aslan in het verkeerde keelgat. Ze sprak op Twitter van ‘white washing’ van een islamitische naam. Alsof de islam een kleur heeft. Alsof culturele vermenging, zeker in het Amsterdam waar Nouri vandaan komt, niet allang een feit is – zeg ik als halfbloedje.

Wat mensen als Arzu Aslan lijken te willen, is een taal waarin elk woord een eenduidige betekenis heeft en waarin van elk woord strikt is vastgelegd wie het mag gebruiken en wie niet – zodat niemand gekwetst raakt. Maar dat kán niet, zo werkt taal niet.
Het woord ‘God’ is voor een christen of moslim heilig en goed, maar wie als kind misbruikt is door een katholieke priester, heeft wellicht heel andere associaties bij dat woord ‘God’. Verbieden dan maar, dat woord? ‘Neger’ is een geuzennaam in de mond van een zwarte rapper en misschien wel een uiting van racisme in de mond van een blanke, sorry, witte PVV’er, maar hoe zit het met de witte muziekrecensent die wil citeren uit de tekst van een zwarte rapper die zichzelf ‘neger’ noemt? Mag ik als Marokkaanse bleekscheet het hier wel gebruiken?

Taal laat zich niet zomaar vangen in de netten van doorgeslagen activisten. Wie roept dat een liefdevol uitgesproken ‘Appie’ een vorm van postkoloniaal-geprivilegieerd witwassen is, draagt niet bij aan een minder racistische maatschappij, maar streeft juist naar een angstaanjagende raszuiverheid in de taal. En bovendien: wanneer je elk woord bij voorbaat beladen maakt, wordt de taal topzwaar: niet te tillen voor haar gebruikers.

 

Het kunstwerk in tijden van Big Data

(Column voor Vrij Nederland, maandag 17 juli 2017)

Wat is het geheim van bestsellers? Die vraag beheerst boekenland al eeuwen, maar recentelijk hebben uitgevers nieuwe technieken in handen gekregen om eindelijk een deel van de geheime code te kraken. Toverwoorden zijn Big Data en algoritmen. Iemand die enorm enthousiast is over deze nieuwe technieken is Patrick Swart. Hij is directeur van WPG (hoed u voor afkortingen van drie letters), het moederbedrijf van onder meer uitgeverij De Bezige Bij. Swart liet onderzoeken in hoeverre een computerprogramma op basis van woordgebruik in een boek onderscheid kon maken tussen goed en slecht verkopende boeken, en aldus een bestseller kon ‘voorspellen’. De resultaten waren zeer bemoedigend.

Ook bij een ander groot uitgeefconcern, VBK (opgelet: drie letters), is men geïnteresseerd in algoritmen, om lezers ‘gerichter’ te bereiken. De tent kwam onlangs in het nieuws door het onverwachte vertrek van Mizzi van der Pluijm, directeur van Atlas Contact (een van de uitgeverijen die deel uitmaken van VBK). Zij stapte op omdat zij, naar eigen zeggen, haar schrijvers niet langer kon beschermen tegen de plannen van het VBK-management. Het leidde tot een heuse schrijversstaking: tientallen auteurs legden de pen neer tot zij nadere uitleg zouden krijgen van VBK-baas Wiet de Bruijn.

Een nogal potsierlijke actie, vond ik. In de zomer verschijnen amper boeken, dus dan is een staking nogal een loos gebaar, en zou er overigens iemand wakker van liggen als Jerry Hormone nooit meer een boek schreef? Maar wat me misschien nog meer deed grinniken, is dat de verontwaardiging nu pas kwam, terwijl Atlas Contact al jaren onderdeel is van VBK. Voorheen kraaide daar geen haan naar, terwijl het toch genoegzaam bekend is dat grote concerns vampieren zijn: al het moois dat ze tegenkomen, bijten ze in de strot en zuigen ze leeg. Ik kan het weten: mijn eigen uitgeverij, Querido, overleefde slechts ternauwernood het draculabewind van voormalig eigenaar WPG. Net op tijd ontsnapt.

Maar ondanks mijn scepsis begrijp ik het schrijversverzet tegen VBK wel: managers als Wiet de Bruijn, die van mening zijn dat algoritmen het boekenvak toekomst kunnen bieden, denken blijkbaar dat een boek gewoon een boek is. Altijd.

Dat is niet zo. Je hebt boeken die kunstwerken zijn en boeken die consumptieartikelen zijn. Het verschil is eigenlijk heel simpel. Een consumptieartikel biedt iets wat je al kent en opnieuw wilt consumeren. Een kunstwerk biedt iets nieuws: ongekende schoonheid, of lelijkheid die je wereldbeeld een aardbeving bezorgt. Humor die pijn doet. Een verbijsterend perspectief. Of gedachte-experimenten waar je nog weken over blijft peinzen.

Een consumptieartikel wiegt je in slaap, een kunstwerk prikt je wakker. Dat hoeft helemaal niet op een vervelende manier, trouwens, kunst hoeft niet te vernietigen, hoeft niet per se illusies te ontmaskeren of ironisch de ironie te prediken. Het wakker worden door kunst kan ook het wakker worden zijn zoals mijn drieënhalve maand oude dochtertje ’s ochtends wakker wordt: lachend, vol onbeteugelbare levenslust en nieuwsgierigheid, overlopend van zin in de nieuwe dag.

Het lastige is dat niet alleen managers, maar ook schrijvers, critici en uitgevers het onderscheid tussen consumptieartikel en kunstwerk nog maar zelden maken. Uitgevers zetten ‘literaire thriller’ op thrillers die niet literair zijn. Thrillers zijn entertainment, geen kunst, en dat is helemaal niet erg. Mensen denken dat het woordje ‘literair’ een boek waardevoller maakt, maar entertainment is op zichzelf al enorm waardevol. Waarom van een boek iets maken wat het niet is?

Heel wat literaire recensenten hebben zichzelf gedegradeerd tot derderangs productbeoordelaars. Dat heeft deels te maken met hun simplistische  sterrensysteempjes en een almaar afnemend aantal woorden per recensie, en verder worden evidente consumptieartikelen vaak met dezelfde welwillendheid besproken als kunstwerken. De krant moet vol, nietwaar?

En de schrijvers? Die zijn als de dood dat ze elitair gevonden worden. Zelden zul je een schrijver haar boek een kunstwerk horen noemen – zelfs als het dat wel is. Vreemd. Zolang je ambitie niet verruilt voor pretentie, is de titel ‘kunstenaar’ iets om trots op te zijn.

In een wereld waarin het onderscheid tussen kunstwerken en consumptieartikelen dusdanig veronachtzaamd wordt, mag het niet verbazen dat ook chefs als Wiet de Bruijn en Patrick Swart alles over één kam scheren. Maar gelukkig bestaat de wereld niet alleen maar uit grote concerns. Er zijn tal van kleine uitgeverijen en uitgeverijtjes waar ze nog wél begrijpen dat het nieuwe van kunst niet voorspeld kan worden, en dat je het onbekende dus juist de ruimte moet geven. Het is te hopen dat de auteurs van Atlas Contact voet bij stuk houden en dat ze daadwerkelijk hun uitgeverij weten los te trekken van vampierenclub VBK, of anders hun heil elders zoeken.

Overigens kan een literair kunstwerk, al of niet verschenen bij een kleine uitgeverij, natuurlijk wel degelijk tot een bestseller uitgroeien. Traditioneel draagt zo’n succes dan bij aan de financiële speelruimte van een fonds, waardoor ook slecht verkopende hermetische dichtbundels en experimentele romans uitgegeven kunnen worden. Interne subsidiëring heet dit ouderwetse prachtsysteem, je zou het een vorm van socialisme kunnen noemen. Dat lijkt me absoluut te verkiezen boven de plannen van mensen als Wiet de Bruijn en Patrick Swart. Hun ‘visies’ leiden tot een neoliberalisering van de uitgeefwereld. Tot VVD-uitgeverijen, als het ware. En je weet wat ze van drieletter-afkortingen zeggen.

 

Oikos

(Column voor Trouw, maandag 17 juli 2017)

Soms is het lekker om jezelf te kwellen en daarom las ik afgelopen weekend een artikel van Simone van Saarloos in De Groene Amsterdammer. Ze verkent daarin vormen van liefde die voorbijgaan aan het hokjesdenken in ‘binaire’ indelingen zoals man/vrouw of homo/hetero.

Ze leidt ons langs gruwelfilosofietjes als ‘hydrofeminism’ (laat maar) en langs zogeheten ‘ecoseksuelen’: mensen wier erotische verlangens zich ‘niet alleen op mensen, maar ook op de aarde’ richten. Van Saarloos bekijkt een pornofilm waarin een ecoseksueel ‘zich bevredigt door tegen de aarde op te rijden terwijl hij aan een tak met blaadjes snuift’.

Prompt doemt in mijn hoofd het beeld op van Thierry Baudet en zijn beruchte lavendelzakjes. Baudet, nog zo iemand die, net als Van Saarloos, keer op keer hoon oogst en daar zelfs van lijkt te genieten. Hier houdt de associatie op, ik lees verder.

Van Saarloos heeft het inmiddels over ‘ecotone’, de ‘overgangszone tussen twee of meer verschillende gemeenschappen of ecosystemen waar verschillen samenkomen’. Ze voegt eraan toe dat ‘eco’ afgeleid is van ‘oikos’, wat ‘thuis’ betekent.

En nu moet ik dus alwéér aan Baudet denken en aan diens pamfletje Oikofobie. Oikofobie: ‘een ziekelijke afkeer van de geborgenheid van ons thuis; van de eigen gewoontes en gebruiken; van de natie’. Oikofobie heerst vooral onder intellectuele en politieke elites, naar het schijnt.

Van Saarloos en Baudet publiceerden allebei een mislukte roman, maar er zijn meer punten waar hun ‘verschillen samenkomen’: ze namen allebei deel aan de Tweede Kamerverkiezingen van afgelopen maart, zij als nummer 8 op de lijst van Sylvana Simons’ Artikel 1, hij als lijsttrekker van het Forum voor Democratie. Haar partij kreeg geen zetels, de zijne behaalde er twee.

Van Saarloos en Baudet: hun denkwerelden kunnen bijna niet verder uit elkaar liggen. De een is alles wat je links zou kunnen noemen, de ander door en door rechts, en toch: allebei zijn ze bezig met oikos. Het is aardig, ja, zelfs hoopvol om te beseffen dat zelfs de ergste tegenpolen meer met elkaar gemeen blijken te hebben dan je zou denken.

Als je ze naast elkaar zet, heb je een aardig overzicht van het gepolariseerde meningencircus dat Nederland vaak is, maar in het ecosysteem dat mijn brein is, kan ik ze een verstandshuwelijk laten aangaan (Simone zegt ‘nee’, maar Thierry interpreteert dat als haar ja-woord), en vervolgens vervangen zij Willem-Alexander en Máxima als ons non-binaire koninklijke echtpaar.

Voor ieder iets om te haten, voor ieder iets om van te houden, en wat ertussen vloeit, is water. Het enige wat me nog verontrust is dat er zelfs dán weer mensen zullen zijn die zich onvoldoende gerepresenteerd voelen. Het kersverse echtpaar is bijvoorbeeld wel erg wit. Het is ook nooit goed – en gelukkig maar.

Nabokov Herlezen (#2): ‘Russian spoken here’ en ‘Sounds’

De sigarenwinkel uit de film Smoke (1995).
De sigarenwinkel uit de film Smoke (1995).

In dit rubriekje zullen op den duur zeker ook de romans van Nabokov ter sprake komen, maar ongeveer  20 van de 52 verhalen in de Collected Stories schreef hij nog vóór de verschijning van zijn debuutroman Mary (Masjenka). Daarom zal ik me voorlopig op die verhalen richten. Vandaag bespreek ik er twee, uit 1923.

In het verhaal ‘Hier spreekt men Russisch’ (‘Russian spoken here’) spelen een sigarenhandelaar en zijn zoon Petja eigen rechter: ze nemen een GPOE-man/tsjekist (wat later KGB is gaan heten) gevangen. In hun badkamer maken ze een cel voor hem. Ze veroordelen hem tot levenslang. Bij het vonnis krijgt de man te horen ‘dat er maar één geval was waarin hij amnestie zou krijgen. En wel: hij zou vrijgelaten worden op de dag dat het met de bolsjewieken gedaan zou zijn.’

Tot de verschijning van de postume Collected Stories-uitgave is dit verhaal, waarschijnlijk vroeg in 1923 geschreven, ongepubliceerd gebleven. Kreeg Nabokov het destijds niet gesleten? En vond hij het later in zijn leven, toen hij zijn oude verhalen in ‘dozens’ van dertien verhalen per keer uitgaf, niet goed genoeg?

Dat lijkt me toch sterk. ‘Hier spreekt men Russisch’ is eigenlijk het tegenovergestelde van het vorige week besproken ‘Geestendom’. Waar dat verhaal zwak was, met hier en daar een glimpje van latere kunde, is ‘Hier spreekt men Russisch’ een sterk en strak verhaal, met hier en daar een kleine zwakte.

Er is actie, er is een plot, er is een spanningsboog. Er zit ook humor in en een aangenaam lichte verteltrant, terwijl er toch een vrij akelig relaas wordt ontvouwd. En precies op dat punt krijgen we een thema te zien dat nog vaak zal terugkeren in de geschriften van Nabokov, al is het in dit geval op een vreemde manier. De sympathieke sigarenhandelaar Martyn Martynytsj en diens zoon Petja blijken namelijk uiteindelijk, voor wie er oog voor heeft, wrede mensen. Voor wie er oog voor heeft, schrijf ik, en hier dreigt een discussie over ‘de intentie van de auteur’, want wilde Nabokov ons lezers inderdaad doen beseffen dat het gedrag van vader en zoon te ver gaat? Of wilde hij de lezer slechts vermaken met een relaas over het terugpakken van een bolsjewiek/GPOE-man? Of is het verhaal, zoals Andrea Pitzer suggereert in The Secret History of Vladimir Nabokov, een vorm van wensdenken, de botviering van een wraakzuchtige fantasie?

Het doet er niet toe. Nabokov is dood, we zullen het nooit weten. Wat ertoe doet, is wat wij lezen – en wat ik hier lees, is hoe twee mensen met begrijpelijke, invoelbare bedoelingen tóch over de schreef van het toelaatbare gaan, en dat is eigenlijk altijd iets fascinerends om over te lezen.

De stilist Nabokov groeit, in dit verhaal. Erg mooi vind ik de beschrijving van de etalage van de sigarenwinkel. Daarin liggen ‘in hun lichte kistjes rijen sigaren te grijnzen.’ Dit is fantastisch schrijven. Geen voor de hand liggende vergelijking in de trant van: ‘de rijen sigaren deden denken aan bruin geworden tanden’, nee, hij laat die overeenkomst met een rij tanden helemaal weg en suggeréért die slechts, met dat ene woord ‘grijnzen’.

Een ander mooi detail: de sinaasappel in de beschrijving van de cel waarin de GPOE-man gevangen zit: ‘Aan de linkerwand glansde een spiegel… Op een tafeltje naast het bad lagen boeken, blonk een schoteltje met een geschilde sinaasappel, en stond een ongeopend flesje bier.’ Zo’n prachtig alledaags detail in zo’n bizarre setting: ja, daar kun je mij voor wakker maken, hoor.

(Tot slot: afgelopen maandag schreef ik in mijn column voor Vrij Nederland over rookwaren in culturele uitingen, en wat daarvan moet worden nu tabak op steeds meer plekken verboden wordt. Ik noemde daar het voorbeeld van de film Smoke, die zich in een sigarenwinkel afspeelt, maar dit verhaal van Nabokov had net zo goed gekund.)

Ook de hoofdfiguur van het verhaal ‘Geluiden’ (‘Sounds’, eveneens uit 1923) vertoont wrede trekken. Een jongeman is hij vermoedelijk, verwikkeld in een liaison met een getrouwde vrouw. Samen bezoeken ze een sukkelige kennis, Pal Palytsj. Na het bezoek blijkt de minnares van onze jongeman haar sigarettenpijpje vergeten te zijn bij Pal Palytsj thuis. De jongeman keert terug en treft Palytsj in tranen.

Waarom? Het zal wel iets met die vrouw te maken hebben, maar het kan de verteller weinig schelen. Op de terugweg overdenkt hij: ‘Ik voelde dat ik had gebaad in andermans leed, dat ik glansde door andermans tranen.’ Terug bij zijn geliefde vertelt zij dat ze besloten heeft haar man voor hem te verlaten. Maar dat blijkt helemaal niet de bedoeling van de jongeman: ‘Ik onderbrak jou met mijn zwijgen. [...] Wat kon ik tegen je zeggen? Kon ik me beroepen op vrijheid, gevangenschap, zeggen dat ik niet genoeg van je hield?’

De affaire is ten einde, en daarmee ook het verhaal.

Hier is de jonge Nabokov bezig zijn expressionistische vermogen uit te testen en dat pakt niet overal even goed uit, naar mijn smaak. Anders gezegd: hij slaat nogal door in zijn lyriek. Albums met bladmuziek worden ‘fluwelen doodkisten’, maar dat is een vergelijking puur op vorm, niet op inhoud of op gecodeerde betekenis. Je ziet ook aan de tekst af dat Nabokov absoluut niet van muziek hield: zijn beschrijvingen ervan klinken vals, onkundig. Verder stuiten we op een hoop holistisch geneuzel: ‘En toen ik me diep in mezelf terugtrok leek de hele wereld me zo – homogeen, congruent, verbonden door de wetten der harmonie. [...] Alles was één, gelijkwaardig, goddelijk.’

Het lijkt alsof de jonge Nabokov pas echt goed wordt wanneer hij minder fraaie beelden presenteert. Over Pal Palytsj schrijft hij bijvoorbeeld: ‘Zijn gezicht zag eruit alsof het van boterachtige boetseerklei was gemaakt’, en de man spreekt ‘licht stotterend bij de labialen’ – niet bij de harde dentalen, maar bij de zachte labialen: op een of andere manier vind ik dat heel goed bij dat boterachtige boetseerklei-gezicht passen.

Sterk in het verhaal is ook hoe Nabokov een patroon van terugkerende en met elkaar samenhangende beelden introduceert: zonlicht na regen zorgt voor ‘lange gouden druppels’; er komt een presse-papier voorbij waarvan de glazen bol een miniatuur bevat van ‘de Izaäk-kathedraal bespikkeld met gouden zandkorrels’; later op de dag ‘had de zon haar hete oker rondgespat’; er komt een fox-terriër langs, die op haar rug rolt ‘waardoor haar roze, met grijze landkaartachtige vlekken bespikkelde buikje zichtbaar werd’; en weer later gaat het over ‘de zonnevlekken op je jurk’. En zo ontstaat een patroon van kleurrijke spikkels en vlekken, als op een pointillistisch schilderij.

Dan beginnen sommige van die zweverige uitspraken op hun plek te vallen. Ergens meldt de hoofdfiguur: ‘Ik had de gewaarwording dat ik in een miljoen wezens en voorwerpen versplinterd was. Nu ben ik een geheel; morgen zal ik opnieuw versplinteren.’ Voor mij is dat een treffende omschrijving van het gevoel van gelukzaligheid. Kortdurend ervaar je de wereld als eenheid, daarna raakt alles weer gefragmenteerd, bestaat de wereld weer uit losse onderdelen, splinters.

Vlekken, spikkels: eventjes vormen ze een patroon, een eenheid, een verhaal. Daarna zijn het gewoon weer vlekken en spikkels.

Nabokov Herlezen (#1): ‘Geestendom’

Blogger Jim Tierney heeft bij wijze van hobby-projectje een aantal illustraties gemaakt bij korte verhalen van Nabokov.

Over Nabokovs eerste gepubliceerde verhaal schreef ik vorige week in De Morgen dat het een ‘kinderlijk sprookje’ is, ‘mislukt eigenlijk’.

Misschien moet ik dat op deze plek wat nader toelichten. Want waar gaat ‘Geestendom’ (‘The Wood-Sprite’) uit 1921 over? Een uit Rusland verjaagde bosgeest raakt verzeild in Berlijn bij de verteller van het verhaal (een schrijver? hij heeft een inktpot op tafel staan, waarover later meer). Vanaf dat moment gebeurt er eigenlijk niets: de bosgeest gaat zitten en begint over zijn ervaringen te vertellen, en dan ineens is hij weg. Heeft de schrijver gehallucineerd?

Inderdaad wel een erg dun verhaaltje. Dun is ook de symboliek: de bosgeest staat natuurlijk voor bloei, voor de levendigheid van het oude Rusland, en sinds de Revolutie is er alleen nog maar dood en verderf – er worden complete wouden gekapt. Wouden, mensenmassa’s, voelt u ‘m? Het ligt er allemaal nogal dik bovenop, vooral ook dat expliciete treuren om het verloren vaderland.

Maar zelfs in dit zeer vroege verhaaltje zie je embryonale aspecten van Nabokovs latere stijl. Zijn gevoeligheid voor kleur, bijvoorbeeld. Groen is bij Nabokov nooit zomaar groen, maar (in dit verhaal): ‘rookgroen’ of ‘sappig-groen’, grijs is niet grijs maar ‘mosgrijs’, zilver niet zilver maar ‘bleek-zilver’, rood niet rood maar ‘bessenrood’.

Leuk is ook dat de bosgeest de verteller vroeger weleens in het bos heeft aangetroffen, ‘jij en een wit jurkje’. Een mooie synecdoche – een stijlfiguur die Nabokov later ook veelvuldig zal toepassen. Kortom, zelfs hier valt iets te halen.

Nog even over die inktpot. Het verhaal begint ermee: ‘Ik trok nadenkend met de pen de ronde trillende schaduw van mijn inktpot na.’

Die zin doet mij nu, bij herlezing, denken aan een verhaal van de hedendaagse Russische schrijver Michaïl Sjisjkin. Eind vorig jaar traden we samen op tijdens een avond gewijd aan korte verhalen, in Brussel. Sjisjkin las in het Russisch, op een scherm achter hem werd een Engelse vertaling geprojecteerd.

Het verhaal dat hij voordroeg heette ‘Nabokovs inktpot’. Een autobiografische tekst die zich zo ongeveer halverwege de jaren negentig afspeelt. De schrijver is in Zwitserland verzeild geraakt, leeft in armoede, kan geen cadeautjes kopen voor zijn vrouw en kind, die beide binnenkort jarig zijn.

Hij neemt een klus aan als tolk voor een rijke Rus die Zwitserland bezoekt. De man, Kovaljov geheten, is een walgelijk nouveau riche-type,  de schrijver kent hem bovendien van vroeger, toen Kovaljov een hoge positie bekleedde binnen de communistische jongerenorganisatie Komsomol. Zo’n figuur die met alle winden meewaait, communisme of kapitalisme, het maakt niet uit. Nu wil Kovaljov Montreux bezoeken, specifieker: het Montreux Palace-hotel, om daar te overnachten in de kamer die Nabokov huurde in de laatste jaren van zijn leven.

‘De voorkeur,’ zegt de schrijver, ‘van mijn oude kennis voor Nabokov rijmde niet met zijn Komsomol-verleden en ook niet met zijn heden als zakenman. [...] Destijds, in onze jonge jaren, gaven we Nabokov stiekem aan elkaar door. We voelden ons een door barbaren vervolgde sekte, en zijn boeken waren onze geheime schat. Bij Nabokov liep toen de grens tussen ons en de anderen. Kovaljov was een van de anderen. En nu nam hij me mee naar Montreux.’

De hotelkamer bevalt niet. ‘Hoe heeft hij het hier kunnen uithouden?’ verzucht Kovaljov. De schrijver vervolgt zijn verschrikkelijke relaas: ‘Er hingen oude foto’s van Nabokov aan de wanden, en Kovaljov wilde elke foto opnieuw in scène zetten. [Hij] wilde ook per se achter Nabokovs bureau gefotografeerd worden. Voor het eerst dacht ik: wat goed dat hij dood is.’

Kortom: de schrijver moet met lede ogen aanzien hoe een proleet datgene bezoedelt wat voor hem heilig is.

Lees dat verhaal, het is prachtig en het is schrijnend.

Tot slot: wat vindt u van Nabokovs ‘Geestendom’? Discussieer mee. Ik zit  op Twitter, zullen we daar #NabokovHerlezen gebruiken? Ik zit niet op Facebook, maar ik kan er wel op gluren – zelfde hashtag? Een ouderwetse mail sturen kan natuurlijk ook. Reacties op deze site plaatsen kan niet – de hoeveelheid deuken die mijn vertrouwen in de mensheid bereid is op te lopen, is beperkt, namelijk. Tot volgende week!

Nabokov Herlezen (proloog)

20170628-DM-over-Nabokov-MasjenkaVandaag publiceerde ik in De Morgen een essay ter gelegenheid van de veertigste sterfdag van schrijver Vladimir Nabokov, aanstaande zondag 2 juli. Hier te lezen.

En met dat stuk leid ik meteen een nieuwe rubriek op deze website in: #NabokovHerlezen. Vanaf volgende week elke woensdag een update: van de vroegste verhalen tot de late romans, van zijn poëzie tot zijn colleges over literatuur, van de interviews tot de biografieën: de komende tijd ga ik alles van en rondom Nabokov, in min of meer chronologische volgorde, herlezen. Op deze plek doe ik daarvan verslag. Discussieer mee via de sociale media, met de hashtag #NabokovHerlezen!

 

Recensie “Machten der duisternis”

Anthony_Burgess_577b7b1b0d123Voor De Morgen besprak ik afgelopen woensdag Earthly Powers, de meesterlijke roman van Anthony Burgess uit 1980, onlangs eindelijk in Nederlandse vertaling verschenen als Machten der duisternis.

“Elke pagina knettert van de fraaie zinnen, krankzinnige situaties, hilarische dialogen, platte grappen, ontembare fantasie en breintergende filosofie – en het boek telt 751 pagina’s, dus je kunt je voorstellen wat een feest het is om dat allemaal te lezen!”

Lees hier de volledige recensie.

Jaar 1 (#27)

Donderdag 27 april 2017
Koningsdag. En ik keer definitief terug naar mijn roman-in-wording.

Het is een cliché dat het ouderschap milder maakt. Een leugenachtig cliché. Of laat ik voor mezelf spreken: mij maakt het allerminst mild, integendeel. Alles wat ik al belangrijk vond en waar ik fel over was, vind ik, nu er een dochter in mijn leven is, des te belangrijker, en daarom ben ik er des te feller over. Ze fungeert als lens: het hele leven wordt scherper. Door haar.

Het is moeilijk van onze klotewereld een wereld te maken die een heel klein ietsepietsie beter is, maar toch moet je daarnaar streven, vind ik, en het krijgen van een kind maakt dat streven alleen maar prangender en pregnanter. Dan gaat het me niet alleen om vrede op aarde of een beter milieu. Ook op mijn eigen kleine vakgebied, de literatuur, ben ik een idealist. En daarom verdraag ik de misstanden die ik daar waarneem, steeds minder goed.

Dan zie ik weer een ‘essayistische roman’ aangekondigd staan van de zoveelste jonge schrijfster die geobsedeerd is door gender en door een soort halfbakken hipsterfeminisme en door de eigen biografie en biotoop, het komt doordat ze allemaal dezelfde boeken lezen, omdat ze allemaal Maggie Nelson willen zijn of Rebecca Solnit of Chris Kraus of welke verschrikkelijke Amerikaanse lulschrijfster ze nú weer allemaal lezen. En het ergste is dat de boeken die dat oplevert stuk voor stuk zo hemeltergend slecht geschreven zijn.

Literatuur is taal, eigenzinnige taal, taal die de overbekende toeristische straten en pleinen mijdt, taal die juist de verlaten steegjes verkent, of de lugubere, stille buitenwijken, de groezelige bosjes van een stadspark in een achterstandsbuurt of de verlaten tunnels van een opgeheven metrolijn. Dus niet het soort alledaagse Viva-taal dat je overal, werkelijk fucking overal al leest.

Op Twitter jankte onlangs een of andere redacteur die dol is op het bovengenoemde soort boeken dat hij Faulkner onleesbaar vindt en dat hij Nabokov onleesbaar vindt en Philip Roth ook. Geen schrijver is heilig, maar deze drie grootheden ‘onleesbaar’ noemen? Dan deugt je literaire kompas niet. Dan begrijp je je eigen vakgebied niet.

Ik wil dit soort mensen vernietigen. Ze kotsen op alles wat ik mooi en goed en belangrijk vind.

En ik denk: waarom ontsláát Atlas Contact deze totale miskleun genaamd Jelte Nieuwenhuis niet? Waarom laten ze dit stuk vreten zijn afzichtelijke stront via Twitter de wereld in spuien? Op persoonlijke titel zal het wel weer zijn, maar wie zo over literatuur praat in zijn privéleven, zou ik niet vertrouwen in zijn professionele doen en laten. Wat een achterlijke flapdrol.

O, de mensen vinden je zuur als je kritisch bent. Weet je wat zuur is? Dat er stapels flutboeken worden uitgegeven, dat ze allemaal op elkaar lijken, en dat we ze volgend jaar allemaal weer vergeten zijn – wat op zichzelf misschien een opluchting is, dat je ze zo snel weer vergeet, maar de uren verspild aan het lezen van die bagger krijg je nooit meer terug.

Ik wil méér van literatuur, ik eis er het hoogste van. Ik wil dat een boek me optilt. Een slap, middelmatig boek heeft daar de spieren niet voor. Middelmatige boeken moeten bestreden worden. Uit enthousiasme. Uit enthousiasme voor échte literatuur.

Zuur? Nee. Mild? Nee.

Ik ben een guerrillastrijder.

 

Jaar 1 (#26)

Woensdag 26 april 2017
Nog wat schrijversmythologie, naar aanleiding van wat ik gisteren schreef. Mythologie ja, want als je je afvraagt ‘wanneer het allemaal begon’, ben je natuurlijk bezig je eigen geschiedenis mooier en logischer te maken dan die werkelijk is. Heel veel kinderen houden ervan toneel te spelen, maar slechts een enkeling wordt als volwassene acteur. Heel veel kinderen houden ervan proefjes te doen met behulp een scheikundedoos, maar slechts een enkeling wordt chemicus. En heel veel kinderen houden van verhaaltjes verzinnen en schrijven die verhaaltjes ook op. Maar slechts een enkeling wordt later schrijver.

Die herinnering van gisteren, over die Q – heb ik die verzonnen? Ik weet zeker van niet, maar wat is ‘zeker’? Ik was toen vijf, zes jaar oud. Ik ben nu achtendertig.

Wat ik wel zeker weet, is wat schriftelijk is vastgelegd. In 1990, toen ik elf jaar oud was, schreef mijn juf op de lagere school in mijn rapport, bij het onderdeel Taal: ‘Als jij later een boek zult schrijven, zal ik het zeker kopen (maar dan heb je me natuurlijk al een present-exemplaar gestuurd).’

Hoewel dat boek nog zo’n twintig jaar op zich zou laten wachten, bleven die woorden van haar altijd ergens op de achtergrond in mijn hoofd echoën. Als een zachte opdracht.

Ja, dat boek kwam er, alleen kon ik, toen het in 2010 eindelijk zo ver was, haar adres niet traceren. Afgelopen zomer kwam ik toch ineens met haar in contact en ook met een andere juf van wie ik op die school les had gehad, en met z’n drieën dronken we koffie op een zonovergoten terras.

F en ik zouden diezelfde avond per echo de allereerste beelden van ons toekomstige kind te zien krijgen. Ze leefde (maar dat het een ‘ze’ was, wisten we toen nog niet), het hartje klopte, ze was ongeveer negen weken oud, en ze was vermoedelijk ergens op Sicilië verwekt, waarschijnlijk het vulkaaneiland Stromboli of de heerlijke stad Messina, al was ietsje eerder óók mogelijk, en dat was de optie die F en ik het liefst in onze fantasie vastlegden: het Eolische eiland Salina, waar we zulke paradijselijke dagen hadden doorgebracht. O, als een of andere gerechtelijke instantie mij en mijn gezin daarheen zou verbannen – ik zou perfect gelukkig zijn.

Afgelopen week, als antwoord op ons geboortekaartje, stuurde mijn oude juf  ons een boekje van Nijntje toe, getiteld De schrijfster.

‘Dit boekje was het kinderboekenweekgeschenk in 1990,’ schreef ze, op een begeleidend kaartje. Ja, het staat er echt: ’1990′. Het jaar van die opmerking in dat rapport. Soms worden de mooie verbanden je gewoon in de schoot geworpen.

Het moet voor juffen en meesters vreemd zijn te beseffen dat hun woorden zo’n grote impact kunnen hebben op de kinderen in hun klas. Je maakt een grapje over een presentexemplaar, en vele jaren later blijkt zo’n kind dat te hebben onthouden, ernaar te hebben gehandeld: hij stúúrt je dat presentexemplaar.

Zo is het ook raar om te beseffen dat ik me van alles kan voornemen met betrekking tot de opvoeding van J, maar dat ze waarschijnlijk het meeste zal leren van opmerkingen die ik terloops maak, dat ik me vaak niet bewust zal zijn van wat wel en wat niet van invloed op haar zal zijn. Heel veel later zal ze het me misschien vertellen, als ze haar eigen mythologie geschreven heeft.