Angst voor De Naald

(Column voor Trouw, maandag 31 juli 2017)

Goed nieuws uit Italië. Daar is een wet aangenomen die ouders verplicht hun kinderen te laten inenten tegen diverse ziektes. Nederland kan daar een voorbeeld aan nemen. Vanuit mij geredeneerd is het simpel: vaccineren beschermt tegen nare en zelfs potentieel dodelijke ziektes – dus dat doe je gewoon, punt.

Toch neemt ook in Nederland de vaccinatiegraad af. Van oudsher is religie een van de boosdoeners. Als iemand zegt: ‘Het mag niet van mijn God’, ben je snel uitgepraat. Ik zou daar tegenover kunnen stellen dat je van mijn God je kinderen niet moedwillig mag laten sterven, maar dan houd je nog altijd de niet-religieuze antivaccinatie-activisten over en die zijn misschien wel gevaarlijker, omdat ze zo gretig gebruikmaken van fake news. Ze roepen bijvoorbeeld dat vaccinatie tot autisme kan leiden (baarlijke nonsens) of dat de ziektes waar het om gaat helemaal niet zo erg zijn om te krijgen (ze zijn potentieel dodelijk). Toch is deze homeopathische hysterie luidruchtig aanwezig.

Maar dat zijn de extremisten. Nóg verontrustender zijn de redelijke mensen die weliswaar voor inenten zijn, maar niet voor het verplicht stellen daarvan. Dat zou een ‘schending van de lichamelijke integriteit’ zijn. Staan ze te wapperen met Artikel 11 van de Grondwet, maar daar valt heus wel een mouw aan te passen. Het lastige is dat mensen zo inconsequent zijn in hun denken over die lichamelijke integriteit.

Ouders die hun kind geen eten geven, wordt ernstige verwaarlozing ten laste gelegd. Ouders die hun kind geen vaccinatie geven, krijgen hooguit een meewarige blik. Iemand die in een psychose verkeert en in die toestand een gevaar vormt voor zichzelf en anderen, kan door hulpverleners worden platgespoten. Voor een kind van wie de ouders, wegens verwarde denkbeelden, een gevaar vormen voor dat kind én de gemeenschap, is een prik niet verplicht.

Welke analogie je ook verzint, je argumenten ketsen zelfs bij redelijke mensen af op een onredelijke afkeer van gedwongen vaccinatie, die misschien alleen met koudegrondpsychologie te begrijpen is.

Morgen moet mijn dochter, vier maanden oud, weer naar het consultatiebureau, waar zij haar derde inenting zal ontvangen. Nu al zien haar moeder en ik op tegen het kindergekrijs dat vanachter gesloten spreekkamerdeuren doordringt tot in de wachtkamer. Dat geluid: het zal niet lang meer duren voor onze dochter weet waar dat een aankondiging van is. Als er zo hard gekrijst wordt, zal het wel heel erg zijn wat daarbinnen gebeurt. Misschien is de Angst voor De Naald wel zo wijdverbreid, dat we daarom als volwassenen zo hysterisch doen over vaccineren.

Dat mag nooit een reden zijn voor irrationeel gedrag. Verplichten dus, die inentingen. Dien ze voortaan desnoods toe in geluiddichte ruimtes. Domheid is ongeneeslijk en je kunt je er ook niet tegen laten inenten, maar dat waar de domheid haar emotionele kracht aan ontleent, kun je misschien een beetje verzachten.

Nabokov Herlezen #4: ‘Gods’ en ‘A matter of chance’

Vrijdag 28 juli 2017
(Ja, een keertje op vrijdag. Hobbylezen en vaderschap: niet altijd even luchthartig te combineren. Ik heb u gewaarschuwd.)

Laat ik er maar niet omheen draaien: vandaag een volstrekt te missen verhaal én een eerste hoogstandje. Dat te missen verhaal heet ‘Gods’ (‘Goden’), Nabokov schreef het in oktober 1923 terwijl hij tevens werkte aan een toneelstuk, The Tragedy of Mr. Morn.

‘Gods’ is een poging groots drama te schetsen (echtpaar bezoekt graf van overleden kind), en dat dan voor het contrast beschreven in lyrische, extatische taal. De emotioneel complexe thematiek is te hoog gegrepen voor de jonge auteur, en het resultaat is pure kitsch (‘De hele nacht hebben de sterren met kinderstemmetjes geschreeuwd’), doortrokken van opzichtige dodenrijksymboliek (de ondergrondse! Beatrice!) en aangevuld met een flauwe parabel.

Geen enkele reden om dit te lezen, dus? Jawel, twee. Want bij mijn weten is dit het eerste verhaal waar een vlinder in voorkomt (de lepidopterologie was, naast de literatuur, Nabokovs andere grote liefde). Ik zou dat kunnen opzoeken in een boek als Nabokov’s Butterflies: Unpublished and Uncollected Writings, of in Nabokov’s Blues: The Scientific Odyssey of a Literary Genius, maar die boeken heb ik niet en ik hoef ze ook niet: mijn Nabokov-gekte kent grenzen. Laat mij maar de auteur zijn van een ander studieus werk: Nabokov’s Trains en dan nog een of andere stompzinnige ondertitel, want ja, ik ga het op deze plek nog vaak hebben over de rol van treinen in Nabokovs werk, en in ‘Gods’ komt de eerste voor, in één terloops zinnetje: ‘Herinner je je nog,’ zegt de verteller tegen zijn geliefde, ‘toen we op weg waren hiernaar toe, naar deze stad, hoe de bomen langs de ramen van de coupé liepen?’

Leesadvies: uitsluitend voor volledigheidsneuroten.

Maar dan! Ha! Het verhaal ‘Een kwestie van toeval’ (‘A matter of chance’) – daar gebeurt het, hoor! Vroeg in 1924 geschreven, in de zomer gepubliceerd in een Rigaans eclectisch blad, nadat zijn vaste stek Rul’ het geweigerd had omdat ze geen ‘anekdotes over cocaïnisten’ publiceerden. Haha.

Verhaal: de Russische emigrant Aleksej Lwowitsj Loezjin werkt als kelner op een Duitse trein. Zijn vrouw heeft hij in Rusland moeten achterlaten en hij heeft geen hoop meer haar ooit nog te zien. Hij verdooft én vergiftigt zijn brein met cocaïne en op een dag weet hij het zeker: zodra zijn dienst aan boord van de trein voorbij is, zal hij zichzelf van kant maken (Nabokov’s Suicides – ook dat zou een pittig naslagwerkje kunnen worden, zie onder meer het vorige week besproken verhaal ‘Een slag van de vleugel’). Wat hij niet weet is dat zijn vrouw, die eindelijk uit Rusland heeft weten weg te komen, zich aan boord van diezelfde trein bevindt. Ze hadden elkaar kunnen treffen – maar het gebeurt niet.

Waarom is dit zo’n verrekte interessant verhaal? Nou, allereerst vanwege die naam Loezjin. Zo heet ook het hoofdpersonage van Nabokov’s derde roman, The Defense, over een gekweld schaakmeester die aan het einde van het boek zelfmoord pleegt. Volgens Brian Boyd’s Vladimir Nabokov: The Russian Years bestaat er een onvoltooid oerverhaal waar zowel The Defense als ‘A matter of chance’ uit voortkomen.

Maar het idee van een langverwachte echtgenote die vanuit Rusland per trein naar Duitsland komt, en een weerzien dat nét niet plaatsvindt, is ook het grondgegeven van Nabokovs debuutroman Masjenka.

O, en over treinen gesproken: dit hele verhaal speelt zich dus aan boord van een trein af! En Loezjin heeft heel precies uitgedacht hoe de trein hem gaat helpen zelfmoord te plegen: ‘Hij berekende elk klein detail, alsof hij een schaakprobleem ontwierp. In de loop van de nacht wilde hij op een bepaald station uitstappen, naar het eind van het stilstaande rijtuig lopen en zijn hoofd tegen het schildachtig uiteinde van het stootkussen leggen op het moment dat er een andere wagon aankwam die gekoppeld moest worden. De buffers zouden tegen elkaar slaan. Tussen hun uiteinden zou zich zijn gebogen hoofd bevinden. Het zou uiteenspetten al een zeepbel en opgaan in iriserende lucht.’

Magistraal. (En ja: een schaakprobleem!)

Trouwens, misschien is het geen toeval dat treinen ook in het werk van de door Nabokov zeer bewonderde Tolstoj zo’n prominente rol spelen. Denk aan de novelle De Kreutzersonate en natuurlijk ook aan de trein waar Anna Karenina zichzelf voor werpt in de naar haar vernoemde roman. Zelfmoord, ja. God, als ik zou willen promoveren, dan zou het op Nabokov-Tolstoj-treinen-zelfmoord zijn…

Enfin. Dat is allemaal leuk en aardig voor de liefhebber, maar waar iederéén van kan genieten, is het loutere feit dat dit verhaal zo verrekte goed geschreven is. Dat zie je aan de precisie van die hierboven beschreven zelfmoordfantasie, en vooral aan de effecten van de cocaïne die zo goed zijn weergegeven dat ze de lezer (deze lezer althans) doen huiveren: ‘de kleine zweertjes in zijn neusgaten vraten het tussenschot weg’, maar ook instemmend doen knikken: ‘gretig bracht hij het naar zijn ene neusgat, toen naar het andere, snoof diep, likte met vlugge tong het glinsterende stof van zijn nagel, knipperde een paar keer fel met zijn ogen vanwege de rubberen bitterheid en verliet het toilet, roezig en welgemoed, terwijl zijn hoofd zich vulde met heerlijke ijskoude lucht.’

Godverdomme, dit is schrijven, mensen.

In de komende afleveringen van deze serie volgt nog een hele rits korte verhalen, maar ook het hierboven al aangestipte toneelstuk The Tragedy of Mr. Morn, enkele aanvullende observaties m.b.t. Masjenka, en in de verte lonkt de Tweede Roman, King, Queen, Knave. Ja, het wordt een dolle zomer…

Aanstootnemend

(Column voor Trouw, vrijdag 28 juli 2017)

Het schijnt dat Zweden het ongelovigste land van de westerse wereld is. Het mag dan ook niet verbazen dat in het Zweedse Borlänge een heuse atheïstische begraafplaats is geopend: een wereldwijde primeur. Deze krant schreef er afgelopen maandag over. Ook gelovigen mogen er begraven worden, op één voorwaarde – en daar bleef mijn oog aan haken: ‘zolang de graven maar geen religieuze, racistische of nationalistische symbolen dragen’.

Het is weer een prachtig voorbeeld van kwetsvrees: stel je toch eens voor dat een ongelovige aanstoot zou nemen aan een onschuldig christelijk crucifixje of een islamitische maansikkel-met-sterretje op een graf! Je ziet steeds vaker dat atheïsten dogmatischer worden, en daarmee meer en meer in het spiegelbeeld veranderen van dat wat ze ooit wilden bestrijden: dogmatische gelovigen. Als zelfs een graf onder het principe van het laïcisme gaat vallen, is de godsdienstvrijheid ten einde, en dat is, ingewikkeld genoeg, óók voor atheïsten slecht nieuws.

Ik heb het de laatste jaren sowieso een beetje gehad met prominente atheïsten. De tevreden onwrikbaarheid van types als de Amerikaanse filosoof Daniel Dennett: alsof de wetenschap voltooid is en voor alles een verklaring heeft – onuitstaanbaar! Ooit schonk Richard Dawkins me met zijn prachtige ‘The God Delusion’ een schatkist vol argumenten tegen de idiotie van geïnstitutionaliseerde religie, maar ook hij lijkt gestagneerd in zijn denken. Het atheïsme van Dawkins kan niet verklaren waarom zo veel mensen tóch religieus zijn, en de meeste verklaringen waar atheïsten mee aankomen zijn te kinderachtig en beperkt om serieus te nemen.

Toch was ik geschokt toen onlangs een evenement waar Dawkins zou spreken, in het Amerikaanse Berkeley, werd geannuleerd door de sponsor, het radiostation KPFA. De reden: zijn ‘beledigende en kwetsende’ uitlatingen over de islam.

Dus je nodigt ‘s werelds bekendste atheïst uit en bent vervolgens verbaasd dat hij zich weleens negatief over een van de grootste religies ter wereld heeft uitgelaten! In een reactie liet Dawkins weten dat hij weliswaar regelmatig de excessen van de politieke islam veroordeeld heeft – misogynie, homohaat, geweld tegen afvalligen – maar dat hij daar ook altijd bij vermeldde dat moslims daar de voornaamste slachtoffers van zijn. Zoals hij dat ook altijd doet in het geval van het christendom: hij klaagt de denkbeelden aan, niet de gelovigen.

Het is gek dat het woord ‘aanstootgevend’ wel bestaat en ‘aanstootnemend’ niet. Want de ontvanger is vaker het probleem dan de zender. Een atheïst die een religieus symbool op een begraafplaats aanstootgevend vindt, is even waanzinnig als een radiostation dat een spreker de mond snoert vanwege islamkritiek. God, wat hebben al die mensen een miezerig nano-zelfvertrouwen dat ze elke afwijking van hun eigen overtuiging meteen als een belediging beschouwen. Je zou de mens, religieus of niet, een iets dikker eeltlaagje op de ziel toewensen. Of die ziel nu wel of niet bestaat.

 

Onder Protest

(Column voor Trouw, woensdag 26 juli 2017)

Nederlanders verliezen hun vertrouwen in het poldermodel. Dat vermoeden sprak onderzoeker Tim de Beer gisteren uit in deze krant. De Beer is verantwoordelijk voor de Nederlandse tak van een internationaal onderzoek naar het vertrouwen van burgers in onder meer de politiek. Nederlanders willen een sterke leider, zo blijkt, maar dat wijst niet per definitie op een ondemocratische tendens. Eerder op behoefte aan daadkracht.

Ook de Volkskrant besprak het onderzoek en daar kwam ik een cijfer tegen dat mij intrigeerde. De stelling ‘Als een politicus een compromis aanvaardt verkoopt hij zijn principes’ werd door 45 procent van de ondervraagden onderschreven. Bijna de helft van de Nederlandse kiezers vindt dit dus, maar toen afgelopen juni de tweede poging strandde om een kabinet te smeden tussen VVD, CDA, D66 en GroenLinks, kreeg Jesse Klaver daar uit alle hoeken de schuld van, juist omdát hij had vastgehouden aan zijn principes inzake het vluchtelingenbeleid.

Als GroenLinks-stemmer wist ik niet wat ik ervan moest denken. Principes: uitstekend. Anderzijds: nu zou een andere partij de vluchtelingenkastanjes wel uit het vuur halen, waarmee we dus even ver van huis zouden zijn als wanneer GroenLinks wél akkoord was gegaan. Bovendien: de partij zou hierdoor andere belangrijke standpunten niet kunnen verwezenlijken. Een dubbele gemiste kans.

Maar wat moet je dan? Instemmen met beleid waar je faliekant tegen bent? Misschien wel ja, maar niet zoals we dat tot nu toe gewend zijn.

Deel van het probleem bij kabinetsformaties is volgens mij, dat partijen opzien tegen De Mond. Als er eenmaal een kabinet is, spreekt dat met één mond. Die etiquette zorgt voor geïnstitutionaliseerde hypocrisie, en kiezers zien dat natuurlijk. Als een PvdA-bewindsvrouw met droge ogen een VVD-standpunt staat te verdedigen, is zij niet geloofwaardig. En dat heeft de PvdA geweten.

Misschien zou het beter zijn om ook gedúrende een regeringsperiode open te zijn over meningsverschillen tussen de regerende partijen. Fictief voorbeeld voor een kabinet VVD-CDA-D66-GroenLinks: dat GroenLinks vóór stemt zodra de vluchtelingenregeling behandeld wordt, maar dan wel expliciet Onder Protest. Ze krijgen er een Milieuminister voor terug. Voor wiens plannen VVD’ers dan op hun beurt Onder Protest vóór stemmen.

Een partij kan op die manier openlijk laten zien waar een compromis in conflict komt met de eigen principes, zonder dat dit conflict een kabinet blokkeert. Je zou het integer kunnen noemen. Transparant.

Expliciet Onder Protest – is dat raar? Nee, Kamerleden stemmen nu ook vóór wetten waar zij tegen zijn, maar ze verzwijgen hun weerzin meestal.

Het zou de redding van het poldermodel kunnen betekenen. En kunnen leiden tot een daadkrachtig kabinet in gepolariseerde tijden. Een motto voor dat nieuwe kabinet heb ik dan ook alvast: ‘Je hoeft het niet over alles eens te zijn.’ Een gedachte waar het hele land dan vier jaar lang op mag kauwen.

Onchristelijk

(Column voor Trouw, maandag 24 juli 2017)

De ophef richtte zich afgelopen weekend vooral op de kop van het artikel dat Kees van der Staaij in The Wall Street Journal had gepubliceerd: ‘In the Netherlands, the Doctor Will Kill You Now’. De SGP-leider voelde zelf al nattigheid, want op Twitter liet hij weten: ‘Kop boven verhaal is door krant verzonnen; geen goede samenvatting.’

Zonde, want nu konden Van der Staaijs tegenstanders meteen weer een karikatuur van hem maken (daar heb je die gereformeerde christengek weer), terwijl hij wel degelijk belangrijke onderwerpen aansnijdt in dat stuk. In de kern ageert hij tegen de uitbreiding van de euthanasiewetgeving in Nederland, maar daarbij komt ook de vraag aan de orde hoe we in onze efficiency-economie omgaan met mensen die niet meer bruikbaar zijn. Strepen we die weg door ze te euthanaseren?

Het probleem is dat Van der Staaij zo onzuiver te werk gaat. Zo illustreert hij zijn betoog met enkele voorbeelden van onzorgvuldig medisch handelen in gevallen van euthanasie. Daarmee suggereert hij schering en inslag op basis van uitzonderingen.

Zo lust ik er ook nog wel een paar. In Nederlandse operatiekamers komen soms patiënten te overlijden door onzorgvuldig medisch handelen. Het gebeurt niet vaak, maar het gebeurt. Gaat Van der Staaij nu ook de chirurgie aan de schandpaal nagelen? (‘Dutch surgeons will kill you.’)

Veel onzuiverder nog is dat Van der Staaij onvermeld laat dat het hem eigenlijk helemaal niet om de zorgvuldigheid van het medisch handelen gáát. Het gaat hem om dat vrijwillig gekozen levenseinde. Hij is, vanuit zijn geloofsovertuiging, hoe dan ook tegen elke vorm van euthanasie en zelfdoding. Maar uitgerekend dat essentiële punt laat hij onvermeld.

Een derde onzuiverheid is dat Van der Staaij het doet lijken alsof er voldoende toereikende alternatieven bestaan voor vrijwillige levensbeëindiging. Zo waarschuwt hij ervoor dat een ‘waardig levenseinde’ nooit in de plaats mag komen van ‘excellent psychiatric care’ voor mensen met suïcidale gedachten.

De geestelijke gezondheidszorg in Nederland is van hoog niveau, zeker, maar in 2016 maakten 1894 mensen een einde aan hun leven. Ondanks ‘excellent psychiatric care’.

Ik ken niemand die tevreden is met dat cijfer. Als Van der Staaij dáár een punt van had gemaakt, als hij ervoor gepleit had immense hoeveelheden geld te pompen in wetenschappelijk onderzoek naar suïcidepreventie, dan had hij heel wat meer Nederlanders aan zijn zijde gevonden.

Maar dat deed hij niet. Het is flauw om te zeggen, maar Van der Staaij heeft blijkbaar liever dat iemand zijn polsen doorsnijdt of voor de trein springt, dan dat diegene een beschaafd pilletje kan krijgen om zichzelf, desnoods met zorgvuldige hulp van een ander, uit zijn lijden te verlossen.

Van der Staaij kiest ervoor zijn naasten te laten lijden. Dat is ziek, onsympathiek en, voor zover ik er als atheïst kijk op heb, buitengewoon onchristelijk.

Efficiënt leven

(Column voor Trouw, vrijdag 21 juli 2017)

Aan het begin van de zomer kun je als ouder je kind afleveren bij een commerciële zwemschool waar dat kind in twee weken tijd, vier uur per dag, voor het A-diploma wordt klaargestoomd. Turbozwemmen heet het fenomeen, ik las er afgelopen weekend over in de Volkskrant.

Bij de Koninklijke Nederlandse Zwembond raden ze zo’n cursus af, en ook wetenschappers zien risico’s, maar ouders vinden het een buitengewoon efficiënte manier om de zwemvaardigheid van hun kind af te handelen.

Als ik mijn gedachten bij het lezen van dat stuk even van de glijdende schaal laat roetsjen, ben ik binnen no time aanbeland bij een wereld waarin de complete opvoeding zo efficiënt mogelijk wordt uitgevoerd. Leren praten in twee maanden. Fietsen in één middag, inclusief één gebroken-been-behandeling en drie EMDR-sessies voor het wegpoetsen van eventueel opgelopen trauma’s. En na achttien jaar staat er een eindexamencoach klaar om je kind tegen grof geld en mét garantie een middelbareschooldiploma te laten behalen. Eventueel nog aan te vullen met een op-jezelf-wonen-spoedcursus, een relatieversneller, en vooruit, voor de echt lange termijn, een stervenscoach om je leven op een nette en efficiënte manier te helpen voltooien.

Een mensenleven lijkt nog louter een economische waarde te vertegenwoordigen. De Nederlandse werknemer is een moderne slaaf en zijn god heet Efficiency. Arbeiders aller landen zingen de ‘Neoliberale’ en krijgen van de opzichters geld toegediend als doping om op topsnelheid nieuw geld te kunnen creëren.

Wie niet werkt, is niet bruikbaar. Zieken, uitkeringstrekkers en pensioengerechtigden zijn een kostenpost die we zo laag mogelijk moeten houden.

Het is in dit efficiënte spaarlamplicht dat we het vaderschapsverlof in Nederland moeten beschouwen. De twee dagen die er nu voor staan, zijn er eigenlijk al twee te veel. In datzelfde licht is het opvallend dat ING deze week aankondigde de eigen werknemers maar liefst een maand betaald vaderschapsverlof te gunnen.

Steeds vaker neemt het bedrijfsleven morele taken van de overheid over. Of nou ja, moreel – ING zal er wel een of ander belang bij hebben. Maar ook op het gebied van klimaatverandering laten grote bedrijven steeds vaker hun stem horen. Evenmin uit idealisme, trouwens, maar omdat ze mogelijkheden zien om geld te verdienen. Niettemin, of juist daarom, klinkt de stem van die bedrijven progressiever dan die van veel politieke partijen.

Mark Rutte zal zich gek kwijlen bij dit soort ontwikkelingen, want zijn mantra is ‘een kleine, wendbare overheid’. Maar als het bedrijfsleven ook ethische overheidstaken naar zich toe begint te trekken, blijft er voor die overheid weinig te wenden over. Zo’n overheid zet zichzelf buiten spel.

Is dat erg? Het is maar net waaraan je je vertrouwen wilt schenken. Een overheid is er, als het goed is, voor de burger. Een bedrijf is er voor zichzelf. Dat verschil zegt eigenlijk alles.

 

 

Nabokov Herlezen #3: ‘Wingstroke’

Woensdag 19 juli 2017
Ik denk dat ‘Wingstroke’ (‘Een slag van de vleugel’) een van de eerste ‘gecodeerde’ verhalen is die Nabokov schreef, in oktober 1923 om precies te zijn, en hij publiceerde het in januari 1924 in het emigrantenblad Russkoye Ekho (De Russische Echo). Gecodeerd, omdat de tekst zoveel opzichtige onduidelijkheden bevat en vragen oproept.

Een man genaamd Kern zoekt afleiding in een ski-resort nadat zijn vrouw, die hem bedroog, zelfmoord heeft gepleegd. Hij raakt gecharmeerd van een Engelse schone genaamd Isabel, maar die laat zich liever verleiden door allerhande knappe knullen waar het van wemelt in dat oord. Tot zover een klip en klaar relaas.

Kern zoekt afleiding in een drinkgelag met een obscure figuur genaamd Monfiori. Hij denkt erover zelfmoord te plegen, maar kan met zijn dronken kop de verleiding niet weerstaan Isabels kamer binnen te gaan (ze heeft de sleutel aan de buitenkant in het slot laten zitten). Als hij binnen is, vlucht ze weg en op dat moment komt er door het openstaande raam een stinkende engel binnengevlogen. Kern rent naar zijn eigen kamer om zijn pistool te halen, maar bij terugkeer is de engel verdwenen.

De volgende dag verongelukt Isabel tijdens een ski-stunt. Gestraft door de engel, via een slag van diens vleugel?

De eerste reactie op dit lange verhaal zal er bij de meeste lezers waarschijnlijk een van verbijstering zijn (bij mij wel), of misschien wel ergernis (ook een beetje ja,): wat wil je nou, man? Wat moet ik hiermee?

Het enige wat dan helpt, is herlezen. Rustig alles nog eens nalopen, en verdomd, dan beginnen er dingen op te vallen. Dat er nogal gul met christelijke symboliek gestrooid wordt, bijvoorbeeld. Meteen al in die eerste zin: ‘Wanneer de gebogen punt van de ene ski over de andere gaat,’ staat er weliswaar in het Nederlands, maar in het Engels lees ik: ‘When the curved tip of one ski crosses the other’ en dan blijft mijn oog haken aan dat woord ‘crosses’ (het verhaal is trouwens oorspronkelijk in het Russisch geschreven, maar dat kan ik niet lezen – misschien zoek ik er nu te veel achter). Verder is er Monfiori’s fascinatie voor het Bijbelboek Job, Kerns huwelijk met zijn overleden vrouw duurde zeven jaren, Isabel zou naar Jezebel kunnen verwijzen, er is een discussie over God (‘een gasvormig gewerveld dier’) en er komen nogal wat druiven voorbij (in de iconografie het symbool voor het Laatste Avondmaal), en trouwens niet alleen druiven: op zeker moment bestelt Kern een avondmaal bestaande uit ‘koude rosbief, druiven en een fles Chianti’. Voor de liefhebbers van het lichaam en het bloed van Jezus.

En dan is er natuurlijk die engel. En helemaal op het eind wordt het spel met die ski’s uit het begin alsnog expliciet: ‘Met een zacht fluitend geluid scheerde ze de schans af, vloog omhoog, hing bewegingloos in de lucht, gekruisigd.’

En dan?

Die Monfiori is een raadselachtige figuur. Hij suggereert homoseksueel te zijn (over Isabel zegt hij: ‘Zij is een vrouw. En ik heb andere voorkeuren.’). Hij lijkt Kern ook te willen ‘verleiden’ tot dat rare drinkgelag, die ‘Bacchustoer’, en aan het eind van het verhaal lijkt hij in zijn opzet geslaagd: hij vertrekt samen met Kern naar diens kamer.

Maar dat is niet het punt, denk ik. Monfiori wordt als een nogal duivels kereltje beschreven, ‘spitse oren’, ‘geitenogen’, die obsessie met Job, de manier waarop hij Kern tot dat drinkgelag (de zonde) verleidt, en dan zijn reactie wanneer Kern bekent zelfmoord te willen plegen: ‘Ik zoek overal naar types als u – in dure hotels, in treinen, in badplaatsen, ’s nachts op de kades van grote steden.’ Hij zoekt dus naar mensen die wanhopig zijn en dan verleidt hij hen tot zondige daden. Zelfmoord?

Misschien, maar ik denk eigenlijk dat Kern een moord pleegt. De moord op Isabel. Verleid door de duivel, die hem dronken voert. Zij is De Onschuldige, die verkeert met engelen – en die gekruisigd wordt op het einde.

Wat Kern doet, is op Isabel de woede over het overspel van zijn vrouw ‘projecteren’. Isabel verkiest óók andere mannen boven Kern en is daarmee een ‘zondige’ vrouw (een Jezebel). Door haar te vermoorden neemt Kern alsnog symbolisch wraak op zijn vrouw. Dat is wat er op het einde gebeurt, en dat is waarom Kern als een waanzinnige begint te lachen onderweg terug naar zijn hotelkamer.

Denk ik.

Dat ‘projecteren’ klinkt natuurlijk erg freudiaans, zoals ook Monfiori’s voorkeur voor het biljartspel ernstig freudiaans overkomt. Nabokov was een groot hater van Freud, hij liet geen gelegenheid onbenut om de ‘Viennese quack’ te bespotten. Maar misschien dat hij in zijn vroegste verhalen toch de verleiding niet heeft kunnen weerstaan een beetje te spelen met freudiaanse beelden en principes.

Dat is trouwens wel een beetje mijn algemene indruk van dit verhaal en de veelheid van symbolen die erin voorbij flitsen: er lijkt geen zorgvuldige constructie achter schuil te gaan. Het lijkt wel alsof Nabokov vooral wil doen alsof er heel veel betekenis achter dit verhaal schuilgaat door raadsels uit te zetten waar geen oplossing voor is. Dat is in zijn latere werk wel anders… Snel verder dus – tot volgende week!

 

Raszuivere taal

(Column voor Trouw, woensdag 19 juli 2017)

Weinig maatschappelijke discussies zijn zo hemeltergend als die over culturele toe-eigening. Mag Beyoncé zich in een videoclip in Indiase kledij hullen? Nee, afblijven! Mag Lionel Shriver in haar romans personages introduceren met een andere etnische achtergrond dan de hare? Nee, afblijven! In tijden van identiteitspolitiek is elke culturele uiting een potentiële aanranding.

Recentelijk richtten de bestrijders van ongeoorloofde culturele toe-eigening zich op een aanstaande nieuwe verfilming van Disney’s Aladdin. Regisseur Guy Ritchie dacht de kritiek voor te zijn: hij zocht – én vond – een acteur met Arabische wortels. Dat was buiten de absurditeit van de legers der gekwetsten gerekend. Aladdin ís helemaal niet Arabisch maar Indiaas! Nee, hij is Chinees! Nee, hij is een product van Europese culturele toe-eigening!

Dames en heren: Aladdin is een sprookjesfiguur. Waarom dat sprookje voor de tigste keer verfilmd moet worden is mij ook een raadsel, maar kwetsend?

In eigen land kunnen we er ook wat van. Een uiterst pijnlijk voorbeeld deed zich onlangs voor in de nasleep van de tragedie rond voetballer Abdelhak ‘Appie’ Nouri. Uit de hoek van antiracistische activisten klonk de kritiek dat Nouri wel heel gretig werd gevierd als toonbeeld van geslaagde integratie. Alsof hij dat niet eenvoudigweg is!

Maar het kan nog gekker: dat hij telkens maar ‘Appie’ werd genoemd, schoot het ongeleide antiracisme-projectiel Arzu Aslan in het verkeerde keelgat. Ze sprak op Twitter van ‘white washing’ van een islamitische naam. Alsof de islam een kleur heeft. Alsof culturele vermenging, zeker in het Amsterdam waar Nouri vandaan komt, niet allang een feit is – zeg ik als halfbloedje.

Wat mensen als Arzu Aslan lijken te willen, is een taal waarin elk woord een eenduidige betekenis heeft en waarin van elk woord strikt is vastgelegd wie het mag gebruiken en wie niet – zodat niemand gekwetst raakt. Maar dat kán niet, zo werkt taal niet.
Het woord ‘God’ is voor een christen of moslim heilig en goed, maar wie als kind misbruikt is door een katholieke priester, heeft wellicht heel andere associaties bij dat woord ‘God’. Verbieden dan maar, dat woord? ‘Neger’ is een geuzennaam in de mond van een zwarte rapper en misschien wel een uiting van racisme in de mond van een blanke, sorry, witte PVV’er, maar hoe zit het met de witte muziekrecensent die wil citeren uit de tekst van een zwarte rapper die zichzelf ‘neger’ noemt? Mag ik als Marokkaanse bleekscheet het hier wel gebruiken?

Taal laat zich niet zomaar vangen in de netten van doorgeslagen activisten. Wie roept dat een liefdevol uitgesproken ‘Appie’ een vorm van postkoloniaal-geprivilegieerd witwassen is, draagt niet bij aan een minder racistische maatschappij, maar streeft juist naar een angstaanjagende raszuiverheid in de taal. En bovendien: wanneer je elk woord bij voorbaat beladen maakt, wordt de taal topzwaar: niet te tillen voor haar gebruikers.

 

Het kunstwerk in tijden van Big Data

(Column voor Vrij Nederland, maandag 17 juli 2017)

Wat is het geheim van bestsellers? Die vraag beheerst boekenland al eeuwen, maar recentelijk hebben uitgevers nieuwe technieken in handen gekregen om eindelijk een deel van de geheime code te kraken. Toverwoorden zijn Big Data en algoritmen. Iemand die enorm enthousiast is over deze nieuwe technieken is Patrick Swart. Hij is directeur van WPG (hoed u voor afkortingen van drie letters), het moederbedrijf van onder meer uitgeverij De Bezige Bij. Swart liet onderzoeken in hoeverre een computerprogramma op basis van woordgebruik in een boek onderscheid kon maken tussen goed en slecht verkopende boeken, en aldus een bestseller kon ‘voorspellen’. De resultaten waren zeer bemoedigend.

Ook bij een ander groot uitgeefconcern, VBK (opgelet: drie letters), is men geïnteresseerd in algoritmen, om lezers ‘gerichter’ te bereiken. De tent kwam onlangs in het nieuws door het onverwachte vertrek van Mizzi van der Pluijm, directeur van Atlas Contact (een van de uitgeverijen die deel uitmaken van VBK). Zij stapte op omdat zij, naar eigen zeggen, haar schrijvers niet langer kon beschermen tegen de plannen van het VBK-management. Het leidde tot een heuse schrijversstaking: tientallen auteurs legden de pen neer tot zij nadere uitleg zouden krijgen van VBK-baas Wiet de Bruijn.

Een nogal potsierlijke actie, vond ik. In de zomer verschijnen amper boeken, dus dan is een staking nogal een loos gebaar, en zou er overigens iemand wakker van liggen als Jerry Hormone nooit meer een boek schreef? Maar wat me misschien nog meer deed grinniken, is dat de verontwaardiging nu pas kwam, terwijl Atlas Contact al jaren onderdeel is van VBK. Voorheen kraaide daar geen haan naar, terwijl het toch genoegzaam bekend is dat grote concerns vampieren zijn: al het moois dat ze tegenkomen, bijten ze in de strot en zuigen ze leeg. Ik kan het weten: mijn eigen uitgeverij, Querido, overleefde slechts ternauwernood het draculabewind van voormalig eigenaar WPG. Net op tijd ontsnapt.

Maar ondanks mijn scepsis begrijp ik het schrijversverzet tegen VBK wel: managers als Wiet de Bruijn, die van mening zijn dat algoritmen het boekenvak toekomst kunnen bieden, denken blijkbaar dat een boek gewoon een boek is. Altijd.

Dat is niet zo. Je hebt boeken die kunstwerken zijn en boeken die consumptieartikelen zijn. Het verschil is eigenlijk heel simpel. Een consumptieartikel biedt iets wat je al kent en opnieuw wilt consumeren. Een kunstwerk biedt iets nieuws: ongekende schoonheid, of lelijkheid die je wereldbeeld een aardbeving bezorgt. Humor die pijn doet. Een verbijsterend perspectief. Of gedachte-experimenten waar je nog weken over blijft peinzen.

Een consumptieartikel wiegt je in slaap, een kunstwerk prikt je wakker. Dat hoeft helemaal niet op een vervelende manier, trouwens, kunst hoeft niet te vernietigen, hoeft niet per se illusies te ontmaskeren of ironisch de ironie te prediken. Het wakker worden door kunst kan ook het wakker worden zijn zoals mijn drieënhalve maand oude dochtertje ’s ochtends wakker wordt: lachend, vol onbeteugelbare levenslust en nieuwsgierigheid, overlopend van zin in de nieuwe dag.

Het lastige is dat niet alleen managers, maar ook schrijvers, critici en uitgevers het onderscheid tussen consumptieartikel en kunstwerk nog maar zelden maken. Uitgevers zetten ‘literaire thriller’ op thrillers die niet literair zijn. Thrillers zijn entertainment, geen kunst, en dat is helemaal niet erg. Mensen denken dat het woordje ‘literair’ een boek waardevoller maakt, maar entertainment is op zichzelf al enorm waardevol. Waarom van een boek iets maken wat het niet is?

Heel wat literaire recensenten hebben zichzelf gedegradeerd tot derderangs productbeoordelaars. Dat heeft deels te maken met hun simplistische  sterrensysteempjes en een almaar afnemend aantal woorden per recensie, en verder worden evidente consumptieartikelen vaak met dezelfde welwillendheid besproken als kunstwerken. De krant moet vol, nietwaar?

En de schrijvers? Die zijn als de dood dat ze elitair gevonden worden. Zelden zul je een schrijver haar boek een kunstwerk horen noemen – zelfs als het dat wel is. Vreemd. Zolang je ambitie niet verruilt voor pretentie, is de titel ‘kunstenaar’ iets om trots op te zijn.

In een wereld waarin het onderscheid tussen kunstwerken en consumptieartikelen dusdanig veronachtzaamd wordt, mag het niet verbazen dat ook chefs als Wiet de Bruijn en Patrick Swart alles over één kam scheren. Maar gelukkig bestaat de wereld niet alleen maar uit grote concerns. Er zijn tal van kleine uitgeverijen en uitgeverijtjes waar ze nog wél begrijpen dat het nieuwe van kunst niet voorspeld kan worden, en dat je het onbekende dus juist de ruimte moet geven. Het is te hopen dat de auteurs van Atlas Contact voet bij stuk houden en dat ze daadwerkelijk hun uitgeverij weten los te trekken van vampierenclub VBK, of anders hun heil elders zoeken.

Overigens kan een literair kunstwerk, al of niet verschenen bij een kleine uitgeverij, natuurlijk wel degelijk tot een bestseller uitgroeien. Traditioneel draagt zo’n succes dan bij aan de financiële speelruimte van een fonds, waardoor ook slecht verkopende hermetische dichtbundels en experimentele romans uitgegeven kunnen worden. Interne subsidiëring heet dit ouderwetse prachtsysteem, je zou het een vorm van socialisme kunnen noemen. Dat lijkt me absoluut te verkiezen boven de plannen van mensen als Wiet de Bruijn en Patrick Swart. Hun ‘visies’ leiden tot een neoliberalisering van de uitgeefwereld. Tot VVD-uitgeverijen, als het ware. En je weet wat ze van drieletter-afkortingen zeggen.

 

Oikos

(Column voor Trouw, maandag 17 juli 2017)

Soms is het lekker om jezelf te kwellen en daarom las ik afgelopen weekend een artikel van Simone van Saarloos in De Groene Amsterdammer. Ze verkent daarin vormen van liefde die voorbijgaan aan het hokjesdenken in ‘binaire’ indelingen zoals man/vrouw of homo/hetero.

Ze leidt ons langs gruwelfilosofietjes als ‘hydrofeminism’ (laat maar) en langs zogeheten ‘ecoseksuelen’: mensen wier erotische verlangens zich ‘niet alleen op mensen, maar ook op de aarde’ richten. Van Saarloos bekijkt een pornofilm waarin een ecoseksueel ‘zich bevredigt door tegen de aarde op te rijden terwijl hij aan een tak met blaadjes snuift’.

Prompt doemt in mijn hoofd het beeld op van Thierry Baudet en zijn beruchte lavendelzakjes. Baudet, nog zo iemand die, net als Van Saarloos, keer op keer hoon oogst en daar zelfs van lijkt te genieten. Hier houdt de associatie op, ik lees verder.

Van Saarloos heeft het inmiddels over ‘ecotone’, de ‘overgangszone tussen twee of meer verschillende gemeenschappen of ecosystemen waar verschillen samenkomen’. Ze voegt eraan toe dat ‘eco’ afgeleid is van ‘oikos’, wat ‘thuis’ betekent.

En nu moet ik dus alwéér aan Baudet denken en aan diens pamfletje Oikofobie. Oikofobie: ‘een ziekelijke afkeer van de geborgenheid van ons thuis; van de eigen gewoontes en gebruiken; van de natie’. Oikofobie heerst vooral onder intellectuele en politieke elites, naar het schijnt.

Van Saarloos en Baudet publiceerden allebei een mislukte roman, maar er zijn meer punten waar hun ‘verschillen samenkomen’: ze namen allebei deel aan de Tweede Kamerverkiezingen van afgelopen maart, zij als nummer 8 op de lijst van Sylvana Simons’ Artikel 1, hij als lijsttrekker van het Forum voor Democratie. Haar partij kreeg geen zetels, de zijne behaalde er twee.

Van Saarloos en Baudet: hun denkwerelden kunnen bijna niet verder uit elkaar liggen. De een is alles wat je links zou kunnen noemen, de ander door en door rechts, en toch: allebei zijn ze bezig met oikos. Het is aardig, ja, zelfs hoopvol om te beseffen dat zelfs de ergste tegenpolen meer met elkaar gemeen blijken te hebben dan je zou denken.

Als je ze naast elkaar zet, heb je een aardig overzicht van het gepolariseerde meningencircus dat Nederland vaak is, maar in het ecosysteem dat mijn brein is, kan ik ze een verstandshuwelijk laten aangaan (Simone zegt ‘nee’, maar Thierry interpreteert dat als haar ja-woord), en vervolgens vervangen zij Willem-Alexander en Máxima als ons non-binaire koninklijke echtpaar.

Voor ieder iets om te haten, voor ieder iets om van te houden, en wat ertussen vloeit, is water. Het enige wat me nog verontrust is dat er zelfs dán weer mensen zullen zijn die zich onvoldoende gerepresenteerd voelen. Het kersverse echtpaar is bijvoorbeeld wel erg wit. Het is ook nooit goed – en gelukkig maar.