Kruistocht

Nina Polak en Hafid Bouazza

Vorige week vrijdag kreeg ik een bescheiden woedeaanvalletje. In NRC Handelsblad besprak recensent Janet Luis de debuutroman van Nina Polak, We zullen niet te pletter slaan. Drie alinea’s lang verbaasde Luis zich over al die gekke hedendaagse woorden die ze geleerd had na lezing van Polaks roman (morfen! airbrushgezicht! pitchen!). Ja, het zal wat zijn, dat een hedendaags auteur zomaar brutaalweg hedendaagse woorden gaat gebruiken. Dat kunnen we natuurlijk niet hebben.

Ook deze vrijdag mag Luis zich in de boekenbijlage van NRC beklagen over woorden die niet binnen het beperkte schatje van 500 stuks vallen, waarmee zij haar lectuur het liefst geformuleerd ziet. Slachtoffer is deze keer Hafid Bouazza: “Dat riekt naar woordpraal; het moedwillig zoeken naar in onbruik geraakte woorden, liefst lekker allittererend, om de wat minder erudiete lezer mee af te kunnen troeven.”

Tuurlijk, want dat doen schrijvers. Ze zijn niet op zoek naar dat ene woord dat precies uitdrukt wat ze willen zeggen, nee, ze zijn bezig hun lezers af te troeven.

Er is maar één gepaste reactie op een criticus die een kruistocht tegen de taal voert: een kruistocht tegen die criticus. De komende weken doe ik op deze plek verslag van nieuwe onbenulligheden van nu al de grootste kanshebber op de titel Knulligste Criticus van het Jaar: Janet Luis. (O sorry, dat allittereert…)