Maar wat is het?

Aluminiumfolie

Een plakje kort gebakken kastanjechampignon, daar leek het nog het meest op. Het had verpakt gezeten in een binnenstebuiten gekeerde latex handschoen, en daaromheen keukenpapier.

‘Maar wat is het?’

Half februari verschijnt mijn nieuwe boek, Herinneringen in aluminiumfolie. Wie van het leven houdt, legt alvast twintig euro apart. Meer informatie volgt spoedig.

 

Het talent dat.

Omdat ik een slecht mens ben, volg ik met een zeker leedvermaak de avonturen van filosofe en publiciste Simone van Saarloos en haar onlangs verschenen debuutroman, De vrouw die. Het boek wordt zo min mogelijk besproken, uit piëteit naar ik aanneem. De kranten die zich er toch aan wagen, zijn genadeloos. Twee ballen in de Volkskrant. Drie ballen in NRC, maar het stuk waar die ballen bijstaan, is eigenlijk overwegend negatief. Vandaag weer twee ballen in De Morgen. Het is niet mals, maar wel terecht, vrees ik.

Ik heb het boek zelf na een paar onleesbare pagina’s dichtgeslagen. Tijd is kostbaar, er wachten nog zoveel boeken die wél de moeite waard zijn.

Leedvermaak ja, omdat het moment eraan zat te komen dat die Van Saarloos eens goed door de mand zou vallen. Al jaren duikt ze in allerlei gedaantes op: ze recenseerde dus voor de Volkskrant, schreef zwaar overschatte columns voor nrc.next en later voor Vrij Nederland, presenteerde een ‘seksistische talkshow’ samen met Niña Weijers, was twee jaar geleden – God weet waarom – de jongste Zomergast ooit, werkte mee aan een theatervoorstelling over feminisme waarvan de trailer zo pijnlijk is dat ik er amper naar kan kijken, en eergisteren vernamen we via RTL Late Night dat ze op een verkiesbare plek staat op de lijst van Artikel 1, de partij waarmee Sylvana Simons in de Tweede Kamer terecht hoopt te komen.

Toe maar, een breed acitiviteitenpalet! Dat zou je kunnen zeggen, ja. Maar er ontstaat ook een beeld van iemand die nergens echt goed in is omdat ze nergens echt werk van maakt.

Van al die activiteiten presteerde ze naar mijn idee het beste als recensente; nieuwsgierigheid en liefde voor literatuur kun je haar niet ontzeggen. Maar al dat andere? Haar filosofische ideetjes, haar lauw-feministische gekonkel, dat polyamorie-gedoe: het is allemaal zo voor de hand liggend en al duizend keer eerder bedacht en gezegd… Dat is ook niet zo vreemd. De meeste mensen bedenken nu eenmaal niet heel erg originele dingen als ze begin twintig zijn. Er moet nog zoveel gelezen en ontdekt worden. Pas als je weet wat er allemaal te koop is, kun je iets nieuws aanbieden.

Inmiddels begin ik in plaats van leedvermaak toch vooral medeleven te voelen. Wat doet het met je als je jarenlang veel te prematuur bent toegejuicht alsof je een genie was, en nu plotseling unaniem de grond in wordt geschreven?

Misschien moeten we eens wat zuiniger omspringen met getalenteerden. Niet doodknuffelen, niet gaan applaudisseren bij elk pril scheetje dat ze laten, geen overdadige lof voor dat wat eigenlijk (nog) niet goed is. Niet publiceren als iets niet publicabel is.

Een beetje masseren, advies geven, begeleiden, soms even de plaats wijzen. Dan kan dat talent in de luwte rijpen. Dan wordt het misschien nog wat.

Storing

Speciaal uit bed gekomen om van het uitzicht te genieten, diep in de nacht: de verduisterde stad, het volledig donkere Prinseneiland aan de overkant van het water. Het treinspoor vlak langs ons huis: uitgestorven. De stilte was meeslepend.

Terug in bed begon de paniek. Hadden de Russen onze elektriciteitscentrales gehackt? Stel dat dit zou aanhouden. Nauwelijks contant geld in huis. Pinautomaten werkten natuurlijk ook niet. Al snel zouden onze telefoons uitvallen, geen stroom om ze op te laden. Hoe kwamen we aan eten? Binnen een mum van tijd zouden voor alle winkels eindeloze rijen hongerigen staan.

Wat als de weeën begonnen en we geen taxi konden bellen? Ik zou er een kunnen halen bij de taxistandplaats op het Haarlemmerplein, maar dan opnieuw: geen geld. En al die babyspullen die we nog moesten kopen. Geen werkende verwarming, midden in de winter. Laptop waarop ik mijn werk schrijf, mijn geld verdien: zonder stroom, zonder internet. En opnieuw: hoe kwamen we aan eten?

Rillend in bed besefte ik dat we, met al onze moderne technieken en welvaart, slechts één stroomstoring van de totale chaos verwijderd zijn.

Maar rond achten bleek de storing alweer verholpen.

Taboe

(column in Trouw, vrijdag 6 januari 2017)

Geluk is hot. Paul Witteman is er wekenlang mee bezig geweest in zijn programma ‘Witteman ontdekt: het geluk’. En bij het RTL Nieuws is het deze week ‘Geluksweek’. Een vraag die daarbij telkens opduikt is hoe het toch kan dat de ‘geluksindustrie’ zo omvangrijk is, terwijl Nederland zevende staat op de VN-ranglijst van gelukkigste landen.

Waarom zoeken we naar geluk als we al gelukkig zijn?

Die vraag impliceert dat gelukszoekers representatief zijn voor de gehele bevolking. Dat is net zo min waar als dat alle Nederlanders boze burgers zijn. Slechts een deel van de burgers is boos. En omdat die het hardst schreeuwen en op Twitter doodsbedreigingen rondstrooien, zijn we geneigd te denken dat iederéén boos is.

Maar de meeste mensen schreeuwen niet. De meeste mensen behoren tot de beruchte ‘zwijgende meerderheid’. Die meerderheid vindt het gewoon wel best hoe het gaat.

Misschien geldt dat ook voor de politiek van het geluk. Je hoort vaak dat het taboe op ziektes als depressie en burn-out doorbroken moet worden, maar het gaat in de media zo veel en zo vaak over depressie en andere mentale stoornissen, dat het eerder een taboe is geworden om te beweren dat je nog nooit van je leven een depressie hebt gehad. Ik heb nog nooit van mijn leven een depressie gehad.

Sterker nog, over het algemeen ben ik een gelukkig mens. Misschien is dat ook wel een taboe, zeker voor een kunstenaar. Kunstenaars horen te lijden, maar ik doe niet aan romantische clichés. Ik ben gewoon gelukkig. En ik weet zeker dat er heel veel gelukkige Nederlanders zijn. De cijfers van de Verenigde Naties geven me gelijk.

Wat moeten we met die informatie? Nou, niets juist. If it ain’t broke, don’t fix it.

Maar laten we bij de diagnose van onze maatschappelijke gesteldheid wél altijd blijven bedenken dat het in hoofdzaak goed gaat. De meeste mensen in Nederland leven bóven de armoedegrens, hebben wél te eten, kunnen wél hun hypotheek betalen. De ontploffende moslims vliegen ons niet dagelijks om de oren. De meeste mensen in Nederland hebben wél een partner, zitten niet in therapie.

De boze burger zal dat misschien wegkijken noemen, maar weet u, dat is de boze burger maar. Het is geen wegkijken, maar relativeren. En van relativeren ga je wat nuchterder nadenken, waardoor je beter in staat bent de problemen die er wel zijn, op te lossen.

En misschien moeten we die boze burger ondertussen lekker boos laten zijn. Want het zou bijvoorbeeld best eens kunnen dat de lui die via Twitter politici en columnisten met de dood bedreigen, in het echte leven hun kinderen minder slaan. Omdat ze hun agressie al kwijt zijn.

Misschien moet ik dáár eens een zelfhulpboek over gaan schrijven. Een titel heb ik al: Ik weet waar je woont, lul. Een gelukkiger gezinsleven in twintig dreigtweets.

Kieskleuters

(column in Trouw, woensdag 4 januari 2017)

Afgelopen weekeinde werd het verkiezingsprogramma gepresenteerd van het Forum voor Democratie, de nieuwe partij van Thierry Baudet. Meer directe inspraak voor de kiezer is een belangrijk thema. Er moeten bindende referenda komen. Het Forum wil een gekozen minister-president en ook gekozen burgemeesters. Want zoals het nu gaat, gaat het niet goed, en dat komt allemaal door de inrichting van ons politieke systeem. Onze democratie is verrot. Tenminste, dat vinden Baudet en de zijnen.

De werkelijkheid is dat de democratie in Nederland juist prima functioneert. Minimaal eens in de vier jaar kan de politiek gecorrigeerd worden door de kiesgerechtigde burger.

Dat dit vaak niet gebeurt, dat dezelfde partijen almaar aan de macht blijven, is niet aan die partijen of aan het systeem te wijten, nee, het is te wijten aan de kiezers. Het zijn de kiezers die telkens min of meer hetzelfde hokje als vorige keer rood maken.

Laten we eerlijk zijn, de kiezer is vaak toch een beetje een kleuter, die altijd in eerste instantie aan zijn eigen belang op de korte termijn denkt. Hij kiest voor zijn hypotheekrenteaftrek, maar bedenkt niet dat hij ziek kan worden. Dankzij de partij die zijn hypotheekrenteaftrek heeft veiliggesteld, is zijn eigen risico omhooggegaan. Gevolg is dat hij zijn ziektekosten niet kan betalen. De kieskleuter wordt boos, omdat hij de consequenties van zijn keuze niet aankan.

Dan gaat de kieskleuter op anderen schelden. Links heeft het gedaan! Links heeft ons land al die jaren naar de knoppen geholpen!

Ik vind dat altijd een van de grappigste klachten over de Nederlandse politiek. Want als dit zo is, dan moet je linkse partijen absoluut een compliment geven voor de efficiënte manier waarop ze het land naar de knoppen hebben geholpen.

De afgelopen veertig jaar is links slechts acht jaar aan de macht geweest, van 1994 tot 2002, en dan nog wel in de gedaante van de Partij van de Arbeid, die je toch niet écht heel erg links kunt noemen. De resterende 32 jaar was de macht in handen van centrum-rechts (het CDA) of helemaal-rechts (de VVD).

Nee, klein kieskleutertje, je hebt het allemaal aan jezelf te danken. Omdat je te lui bent om je werkelijk in de politiek te verdiepen en iets verder te kijken dan je eigen, kleine kortetermijnbelangetjes. En dan gaan klagen over het systeem?

De democratie in Nederland werkt uitstekend. Thierry Baudet weet dit zelf heus ook wel.

‘Inspraak is je zin niet krijgen’, schreef J.P. Guépin in zijn boek De beschaving. De uitbreiding van directe inspraak waarvoor het Forum voor Democratie pleit, zal alleen maar zorgen voor meer verongelijkte kleuters. Want samen met jouw directe inspraak hebben al die andere 17 miljoen Nederlanders óók directe inspraak. Dan wil er nog weleens een resultaat uit rollen dat jou niet bevalt.
Dat is jammer. Maar dat is democratie.

Oorlog

(column in Trouw, maandag 2 januari 2017)

Het is oorlog. Althans, dat hoor je vaak in de nasleep van een terroristische aanslag. En als het niet al oorlog is, dan heerst er in ieder geval wel oorlogsdreiging. Of de dreiging nu van IS uitgaat of van Poetin, of inmiddels ook van de psychopaat Donald Trump die volgens mij in staat is elk land waar hij maar zin in heeft te nuken – vernietiging hangt in de lucht.

Vooralsnog zien onze steden er niet uit als de grauwe ruïne van stof en puin die we Aleppo noemen. Maar het is een feit dat je dezer dagen zomaar, op de boulevard of op een kerstmarkt, in de concertzaal of in de disco, neergemaaid kunt worden, door vrachtwagenwielen of geweerkogels. Los van de politieke maatregelen tegen terreur: hoe kunnen we als burgers voorkomen dat we massaal aan pleinvrees gaan lijden?

Onlangs tikte ik in een opwelling de naam van mijn grootvader in op de website van het stadsarchief van de gemeente Amsterdam. Hij stierf toen ik vijf was, ik weet weinig van hem, behalve dat hij in de Tweede Wereldoorlog tewerkgesteld is in Berlijn en dat hij daar blijkbaar zulke verschrikkingen heeft meegemaakt, dat hij terugkeerde met een stevige posttraumatische stressstoornis. Maar dat woord bestond nog niet, dus ontpopte hij zich als een ordinaire huistiran en joeg zijn vrouw op de vlucht. Zijn dochter – mijn moeder – doorliep een parade van tehuizen en pleeggezinnen.

Ademloos staarde ik naar een scan van zijn vergeelde tewerkstellingsformulier. Drieëndertig was hij, toen hij naar Berlijn gestuurd werd om in een fabriek van AEG te arbeiten. Het eerste wat hij deed toen hij terugkwam in Amsterdam, was zich voortplanten, want negen maanden nadien werd mijn moeder geboren. Lange tijd heb ik dat onbegrijpelijk gevonden; wie zet in godsnaam een kind op de wereld in oorlogstijd? Waarom zou je een kind überhaupt deze wereld aandoen?

Het is een vraag die past bij late tieners en vroege twintigers. Dat is de leeftijd van de ontgoocheling. Een jeugd lang hebben ze de moraal er bij je ingestampt, en vervolgens moet je vaststellen dat de rest van de wereld zich niets van die moraal aantrekt. Veel mensen van rond de twintig houden van cynische schrijvers, pessimistische muzikanten en zwartgallige filmmakers en dat heeft volgens mij alles te maken met die ontgoocheling. Maar een mens wordt ouder en, gek genoeg, ook optimistischer.

Ik ben inmiddels achtendertig en zeker nu ik op het punt sta vader te worden – in maart, naar het zich laat aanzien – begin ik die opa van mij een beetje te snappen. Het is oorlog, je komt thuis na een jaar dwangarbeid en je maakt een kind. Het enige antwoord op dood en verderf is het creëren van nieuw leven.

Ik hoop dat ik een betere vader word dan mijn opa. Maar aan zijn daad van vitaliteit neem ik dankbaar een voorbeeld. Want wie niet in het leven gelooft, heeft de oorlog bij voorbaat verloren.

OMG

(column in Trouw, vrijdag 30 december 2016)

Dankzij de verwikkelingen rond de Amerikaanse presidentsverkiezingen weet iedereen dat nieuws op sociale media onbetrouwbaar is (behalve de mensen die de berichtgeving hierover vanwege hun facebook-algoritme niet hebben ontvangen). Ook andere gevaren van sociale media worden steeds evidenter: er is weinig sociaals aan, mensen verknallen hun vermogen tot concentreren, kinderen krijgen geen oogcontact meer met hun ouders, en slapeloosheid heeft in de smartphone een krachtige bondgenoot gevonden.

Dat zijn de meetbare gegevens. Verontrustender zijn misschien veranderingen die we niet direct kunnen meten.

In een essayboek van Julian Barnes trof ik een anekdote aan over schilder Edgar Degas (1834-1917), die zich er na afloop van een feestje over beklaagde ‘dat je in de beau monde nooit meer afhangende schouders zag’. Edmond de Goncourt – de Albert Verlinde van negentiende-eeuws Parijs – schreef die verandering toe aan de toen moderne neiging de lichaamshouding te corrigeren. Vanuit orthopedisch oogpunt misschien een vooruitgang, maar voor Degas was het alsof een deel van de door hem geschilderde werkelijkheid teloorging.

Op Twitter (wellicht ook op Facebook, maar daar kom ik niet meer) is het gebruik van animated GIF‘s ongekend populair. Het zijn ultrakorte beeldfragmentjes, meestal uit Amerikaanse films geknipt, waarin een acteur uitdrukking geeft aan een bepaalde emotie. Daarmee kun je als twitteraar je tweets kracht bijzetten. Je hebt de keuze uit categorieën als het facepalm-gebaar, ‘yolo’, mensen die ‘OMG’ zeggen, of een categorie genaamd ‘win’ (twee vuisten in de lucht en juichen maar). Allemaal erg Amerikaans en dik aangezet.
De populariteit van die GIF’s is wonderlijk. Het lijkt wel alsof veel twitteraars niet meer over de woorden beschikken om uitdrukking te geven aan een emotie. Blijkbaar moet dan de hulp worden ingeroepen van een acteur die de emotie naspeelt.

Misschien is Twitter niet representatief voor de Nederlandse bevolking, maar ook in het echte leven hoor je steeds vaker ‘oh my God‘ of zelfs OMG (‘oow em dzjieee’) en het ergste symptoom van de Hollywoodisering van de taal vormen misschien wel de millennials van wie de zinnen dat Amerikaanse melodietje hebben overgenomen waardoor hun mededelingen als vragen klinken. Alsof ze zo zijn weggelopen uit de HBO-serie Girls.

Ironie begrijpen we niet meer zonder knipogende emoticons. Hoe zit het straks met andere affecten? Is een miniscuul fronsje nog te begrijpen voor iemand die alleen het facepalm-gebaar kent? Is euforie nog euforie als je niet twee uitzinnige vuisten de lucht in pompt?

Het is vast niet tegen te houden. Maar ik voel wel de weemoed van Degas steken. Weemoed om de teloorgang van een flinter werkelijkheid. Ik heb veel plezier gehad van echte gezichtsuitdrukkingen, van mededelende zinnen. Blijkbaar hebben ze een afslag genomen. Ik blijf nog wat staan dralen op het kruispunt voor ik erachteraan ga.