Het talent dat.

Omdat ik een slecht mens ben, volg ik met een zeker leedvermaak de avonturen van filosofe en publiciste Simone van Saarloos en haar onlangs verschenen debuutroman, De vrouw die. Het boek wordt zo min mogelijk besproken, uit piëteit naar ik aanneem. De kranten die zich er toch aan wagen, zijn genadeloos. Twee ballen in de Volkskrant. Drie ballen in NRC, maar het stuk waar die ballen bijstaan, is eigenlijk overwegend negatief. Vandaag weer twee ballen in De Morgen. Het is niet mals, maar wel terecht, vrees ik.

Ik heb het boek zelf na een paar onleesbare pagina’s dichtgeslagen. Tijd is kostbaar, er wachten nog zoveel boeken die wél de moeite waard zijn.

Leedvermaak ja, omdat het moment eraan zat te komen dat die Van Saarloos eens goed door de mand zou vallen. Al jaren duikt ze in allerlei gedaantes op: ze recenseerde dus voor de Volkskrant, schreef zwaar overschatte columns voor nrc.next en later voor Vrij Nederland, presenteerde een ‘seksistische talkshow’ samen met Niña Weijers, was twee jaar geleden – God weet waarom – de jongste Zomergast ooit, werkte mee aan een theatervoorstelling over feminisme waarvan de trailer zo pijnlijk is dat ik er amper naar kan kijken, en eergisteren vernamen we via RTL Late Night dat ze op een verkiesbare plek staat op de lijst van Artikel 1, de partij waarmee Sylvana Simons in de Tweede Kamer terecht hoopt te komen.

Toe maar, een breed acitiviteitenpalet! Dat zou je kunnen zeggen, ja. Maar er ontstaat ook een beeld van iemand die nergens echt goed in is omdat ze nergens echt werk van maakt.

Van al die activiteiten presteerde ze naar mijn idee het beste als recensente; nieuwsgierigheid en liefde voor literatuur kun je haar niet ontzeggen. Maar al dat andere? Haar filosofische ideetjes, haar lauw-feministische gekonkel, dat polyamorie-gedoe: het is allemaal zo voor de hand liggend en al duizend keer eerder bedacht en gezegd… Dat is ook niet zo vreemd. De meeste mensen bedenken nu eenmaal niet heel erg originele dingen als ze begin twintig zijn. Er moet nog zoveel gelezen en ontdekt worden. Pas als je weet wat er allemaal te koop is, kun je iets nieuws aanbieden.

Inmiddels begin ik in plaats van leedvermaak toch vooral medeleven te voelen. Wat doet het met je als je jarenlang veel te prematuur bent toegejuicht alsof je een genie was, en nu plotseling unaniem de grond in wordt geschreven?

Misschien moeten we eens wat zuiniger omspringen met getalenteerden. Niet doodknuffelen, niet gaan applaudisseren bij elk pril scheetje dat ze laten, geen overdadige lof voor dat wat eigenlijk (nog) niet goed is. Niet publiceren als iets niet publicabel is.

Een beetje masseren, advies geven, begeleiden, soms even de plaats wijzen. Dan kan dat talent in de luwte rijpen. Dan wordt het misschien nog wat.