De Groene Amsterdammer over ‘Een honger’: ‘In tijden niet zo’n merkwaardige roman gelezen’

Kan het wel, klopt het wel?

Met deze roman van Jamal Ouariachi ben ik weer eens ouderwets in debat gegaan. En zo hoort het ook. Wat is het precies: een politieke roman, een pleidooi voor pedofilie, een liefdesroman, een satire op De wereld draait door, een schrijfcursus? Alles is geschreven in de stijl van de realistische levensroman. Er is een jonge vrouw, Aurélie, die zich een weg zoekt in de wereld van de televisie. Er is een oudere man, Laszlo, voormalig grote bons in de hulpverlening aan ontwikkelingslanden, die haar inpalmt en met wie het goed kersen eten is, al zitten er een paar steekjes aan hem los. We bevinden ons zowel in internationale luxe hotels als in hongergebieden van Ethiopië. Hoe die twee figuren elkaar vinden, elkaar kwijtraken, toch weer contact krijgen en daarna het tragische einde.

Ouariachi voegde af en toe, in zijn verder ernstige roman, stukjes toe waarin het schrijven van de roman zelf centraal staat. ‘Die avond aten ze gedrieën in een Italiaans restaurant waar de pasta zowaar enigszins Italiaans smaakte. Van wie is het woord “zowaar” in de vorige zin afkomstig? Is het een alwetende verteller die hier zijn ironie etaleert, of wordt hier de techniek van de vrije indirecte rede ingezet en dient men derhalve het woord aan Aurélie’s subjectieve beleving toe te schrijven?’ Ineens bemoeit de schrijver zelf zich ironisch met het verhaal en krijg je een paar basiselementen van de cursus ‘schrijven voor beginners’ voorgetoverd. Ik moest erom grinniken maar wat moet je ermee? Verderop in de roman presenteert hij af en toe stijloefeningen. Joyce komt voorbij, Woolf, Van der Heijden en zag ik daar ook Balzac langskomen? Wantrouwde Ouariachi zijn eigen schrijfkunst? Wilde hij de constructie van het geheel benadrukken? Ach, laat ons, lezers, toch met rust! Gun ons de vertwijfelde lezersblik die met alles meeleeft, alles voor zoete koek slikt en er zo min mogelijk aan herinnerd wil worden dat het allemaal nep is.

Ouariachi werkte met ingrediënten van de literaire potboiler. Grote woorden, grote gebeurtenissen, grote maatschappelijke problemen. De helden en heldinnen hebben er heel wat mee te stellen en de schrijver laat de emoties hoog oplopen. Merkwaardig is het wel: aan de ene kant reflecteert hij over schrijven, aan de andere kant houdt hij van de grote gebaren van de klassieke ontwikkelingsroman. Dus komt hij regelmatig aanzetten met onversneden realismekitsch. ‘Ze zit op de bank in de huiskamer, de tv staat aan met het geluid uit, ze wil stilte en tegelijkertijd aanwezigheid in de kamer. Philip is van huis: voetbal kijken bij Anton. De mensen op tv geven haar het gevoel van gezelschap.’ In een paar beelden de kleinburgerlijke Aurélie in beeld. En voor liefdeskitsch dienst hij ook niet terug. ‘Niet dat ze zelf nooit verliefd werd. Ze mocht de liefde dan hebben uitgebannen, ze streefde wel degelijk naar geluk. Kortdurend geluk. En liefde hoorde bij het geluk dat zij systematisch zocht. Waar het te vinden was, was Aurélie.’ Zo wilde hij het. Anders had hij het wel anders aangepakt, laat dat maar aan hem over en het past naadloos bij de stijl en opzet van dit boek.

Is dit de ultieme geëngageerde roman die alle geëngageerde romans van de afgelopen tijd overbodig maakt? Vermakelijk is het allemaal wel en mooi in elkaar gezet ook. Op het eerste gezicht zou je ‘pedofilie’ en ‘ontwikkelingshulp’ niet zo snel met elkaar in verband brengen, maar zoiets laat deze uiterst inventieve schrijver zich geen twee keer zeggen. Echt tragisch wordt het niet, misschien heeft Ouariachi toch te veel last van zijn sterk reflectieve schrijversverbeelding. Hij hangt als een helikopterpiloot boven zijn verhaal: kan het wel, klopt het wel? Hij verdomt het in zelfmedelijden of medelijden te gaan zitten zwelgen, dat pleit voor hem, maar het gevolg is dat er iets afstandelijks zit in de vaak vlotte verteltrant. Ik heb in tijden niet zo’n merkwaardige roman gelezen. En dat bedoel ik dus als compliment. Af en toe denk je een reisverslag te lezen, dan weer een traktaat over ontwikkelingshulp en een commentaar op televisieprogramma’s. Dan komt een liefdesaffaire aan bod tussen figuren die weinig bij elkaar te zoeken hebben, inclusief alle literaire metaforiek die daarbij hoort en vervolgens krijg je een staaltje theorievorming voorgeschoteld over de seksuele opvoeding van de jeugd.

Ouariachi neemt nooit radicale standpunten in en dat heeft alles te maken met de structuur van het geheel. Hij laat bijvoorbeeld zijn ‘held’ Laszlo ongelooflijk erop los ouwehoeren over pedofilie, waarbij de ene generalisatie na de andere over tafel vliegt. ‘We’ voeden niet goed op, ‘we’ zijn bang van seks, ‘we’ snappen niks van de jeugd, et cetera, et cetera. Maar tegelijkertijd zorgt hij ervoor dat deze opinies via commentaren van Aurélie en anderen op losse schroeven komen te staan. Ook Laszlo’s opvattingen over ontwikkelingshulp krijgen voortdurend tegenwicht. Dat maakt deze roman genuanceerd, misschien zelfs te genuanceerd. Had de schrijver er toch niet een lading rancune, wanhoop en onterecht zelfmedelijden overheen moeten gooien, van en met zichzelf bedoel ik, waar we allemaal erg kwaad over waren geworden? Daarover ga ik nog maar eens een nachtje slapen.

(Bron: De Groene Amsterdammer, 27 mei 2015)