Jaar 1 (#12)

Woensdag 12 april 2017
Vandaag droeg ze haar proleterige ‘Papa’s Kanjer’-romper. Geintje van F toen ze net zwanger was, gekocht bij dezelfde Primera waar ik gisteren postzegels haalde voor de geboortekaartjes. Dacht dat ik daar nooit meer zou komen sinds ik gestopt ben met roken. De pakjes sigaretten worden inmiddels ontsierd door gruwelijke foto’s. Ik had ze al eerder gezien, maar ze blijven een vuige huiver in me oproepen. De ergste vind ik die van het gaatje in de hals. Doet aan een harige anus denken. Je zal er maar uit moeten roken, uit zo’n pakje.

Bijna een jaar rookvrij – de langste rookvrije periode sinds ik verslaafd raakte. Bij sommige van de vele, vele eerdere pogingen was één van de interventies: luisteren naar interviews met Jeroen Brouwers. Het kortademige gepiep en geknars, bedacht ik dan van tevoren, zal me alle trek in een sigaret ontnemen. Fout. Ik vond het zo onverdraaglijk om naar die verkankerde stem te luisteren dat ik van de zenuwen meteen weer aan het roken sloeg. Je moet het roken niet haten om ermee te stoppen. Je moet ervan blijven houden. De geur wanneer anderen roken moet je koesteren. Daarom haat ik die vieze pakjes zo. Ik wil me het roken herinneren als iets moois van vroeger.

Tegen de tijd dat onze dochter een leeftijd heeft bereikt waarop roken een mogelijkheid wordt, zijn de pakjes waarschijnlijk onbetaalbaar geworden en de vormgeving zo onaantrekkelijk dat geen tiener nog aan roken begint. Ik vind dat niet echt een geruststelling. Wat zal ze in godsnaam voor alternatief uitkiezen?

Jezus, nu al een bezorgde ouder, een tuttebel! Laat dat kind verdomme het rock-’n-roll-leven leiden dat je zelf ook jarenlang hebt geleid, Ouariachi. Ga ervan uit dat ze alle denkbare drugs zal uitproberen, tegen jouw uitdrukkelijke advies in, dat ze vele, vele malen dronken zal worden, tot kotsens toe, dat ze diep teleurgesteld zal raken in de liefde, dat ze vele harten zal breken, dat ze gekwetst zal worden en zal kwetsen – maar dat het uiteindelijk altijd goed komt. Het is geen optie, maar absolute noodzaak om daarin te geloven.

Jaar 1 (#11)

Dinsdag 11 april 2017
Van iedereen hier in huis verandert het lichaam dezer dagen in rap tempo. De baby groeit. F heelt, ze is de skippybal die haar buik was, alweer kwijt. Ikzelf ben zo’n zes kilo afgevallen. Zo vaak vergeten te eten, geen ritme in dit nieuwe leven. En dan zijn er de vele kilometers die ik op zo’n dag afleg, gewoon hier in huis, de lange gang tussen woon- en slaapkamer. Rennend, vaak. Gehaast, altijd. Ik pas de strakke spijkerbroeken van G-star weer die ik niet meer aan kon sinds ik op 9 mei vorig jaar stopte met roken en zoveel begon te vreten en te drinken dat ik precies de kilo’s aankwam die ik nu weer ben kwijtgeraakt.

Jaar 1 (#10)

Maandag 10 april 2017
Een catalogus van geluiden. Haar boeren zijn hard: een zweepslag van de huig en dan een volwassen letter A. Soms klinkt ze als een onbestemd dier, maakt ze geluidjes die het midden houden tussen het gakken van een gans en het geknor van een biggetje. Ik moet oppassen voor teveel verkleinwoorden. Soms snuift ze met snelle haaltjes door haar neus, die soms verstopt klinkt want ook baby’s doen aan snotjes. Dat waren er weer twee (verkleinwoorden).

Ze snurkt en reutelt, piept en zucht. Er is het geborrel in haar broek als de poep komt, en het gerommel in haar buik dat eigenlijk precies hetzelfde klinkt als bij volwassen mensen.

Haar huiltjes klinken als ‘Nee’ of ‘Nèh’, en ondanks mijn medelijden met haar verdriet, moet ik lachen als ik er ‘Nih’ in hoor en aan Monty Python and the Holy Grail moet denken, de scène met ‘the Knights who say “Ni!”’. Op andere momenten meen ik in haar huilen de klank ‘Lâh’ te ontwaren – da’s dan weer Arabisch voor nee. Ze heeft alvast tweetalige tranen. Het is een begin.

Jaar 1 (#9)

Zondag 9 april 2017
Het zou labiliteit door ernstig slaapgebrek kunnen zijn, maar voor mezelf noem ik mijn toestand een ‘permanente staat van ontroering’. Ik vind alles mooi en lief en ik hoef maar iets te zeggen wat in de buurt van emotie komt, of mijn ogen worden vochtig, mijn stem onvast.

Mijn beste vriend A is vandaag jarig, gisteren was hij bij ons op kraamvisite met zijn vriendin. Hij en ik, we kennen elkaar sinds ons achtste, negende levensjaar. Ik wisselde van school, kwam bij hem in de klas terecht. Al gauw vatte de vriendschap vlam en die brandt sindsdien gestaag voort. Het is zo’n vriendschap die nooit zal uitdoven, nu ja, tenzij een van ons doodgaat, maar zelfs dan nog…

Gisteren, niet lang na zijn bezoek aan ons, werd hij oom: zijn jongere zusje beviel van een zoon, nog nét op 8 april, nét niet op A’s verjaardag. Je zou kunnen denken dat mijn associatievermogen ernstig gekleurd is door babyzaken, of andersom, dat de wereld zich tijdelijk voegt naar mijn kleine, beperkte babyuniversum, maar het is natuurlijk gewoon toeval, en toch is het echt waar: precies een week na onze dochter wordt A’s neefje geboren.

Toen hij gisteren naast me op de bank zat, A, met in zijn armen mijn dochter, kreeg die permanente staat van ontroering weer even de overhand. F zei dat ze me nog nooit zo trots heeft zien kijken. Ik liet schaamteloos mijn tranen vallen op de schouder van mijn vriend, om wie ik een arm heen had geslagen.

Jaar 1 (#8)

Zaterdag 8 april 2017
Mijn middelste zus komt naar de baby kijken, samen met haar vijftienjarige zoon. Ik herinner me hem als pasgeborene, als peuter, als kleuter. Nu vraag ik wat hij wil drinken en hij antwoordt: ‘Ik ben echt heel erg hard toe aan een kop sterke koffie.’

We praten over zijn literatuurlijst voor Nederlands, hij zegt dat hij het einde van Herman Kochs Het diner volslagen stompzinnig vond, en ik, ouwe lul, vraag me hardop af waarom ze die kinderen niet iets van Koch laten lezen dat wat dichter bij huis (of school) ligt, de man heeft nota bene Red ons, Maria Montanelli geschreven – prima toegangspoortje voor de onwillige middelbare scholier, herkenbaar, hilarisch.

Ik blijf me erover verbazen dat dit neefje, dat er ooit niet was, nu een jongeman is met wie je koffie kunt drinken, met wie je van gedachten kunt wisselen, over literatuur zelfs. Zo zal het met onze dochter ook gaan – wat is het verrekte moeilijk om me daar iets bij voor te stellen.

Jaar 1 (#7)

Vrijdag 7 april 2017
Ze drinkt als een bezetene. Ooit, op een strand bij Boca Raton in Florida, mocht ik een groep biologen helpen babyschildpadjes, nadat ze uit het ei waren gekropen, te vangen voor wetenschappelijk onderzoek. De eieren lagen een armlengte diep in het zand begraven, de schildpadjes moesten zich zelf een weg naar boven graven en vervolgens, al rennend, de weg naar de branding van de oceaan afleggen.

Een gevaarlijke tocht, dus alles moet snel gaan. Dat snelle bewegen, dat manische van die schildpadjes – de Amerikaanse biologen spraken van frenzy. In een soortgelijke staat van frenzy drinkt onze dochter haar flessenmelk – haar drukte een cocktail van reflexen en instincten. Als je de speen even uit haar mond haalt om haar af te remmen, begint ze wild met haar armen te maaien en als je dan nog steeds niet opschiet met het terugstoppen van die speen in haar mond, dan zet ze een keel op, misschien komt die uitdrukking hier wel vandaan: een brullende baby, de mond wijd opengesperd, het nog tandeloze tandvlees, die ongeremde primal scream. Eén en al keel. Ze is een wild beest.

Jaar 1 (#6)

Donderdag 6 april 2017
O, daar heb je weer zo’n schrijver die een kind krijgt en er meteen over moet gaan schrijven. Meneer maakt ook eens iets mee. Ja. Ik ontken dat niet. Waar deze aantekeningen toe zullen leiden, weet ik nog niet precies, maar ik ben ze nu eenmaal gaan maken, diep in de nacht, op momenten dat ik na een voeding en een luierverschoning de slaap niet meteen weer kon vatten.

Koddige vaderschapsdingetjes, geschikt voor de Viva of de Linda? Lekker herkenbaar en alles? Met een lach en een traan?

Ik wil daar niet op neerkijken, maar ik vermoed dat ik toch op zoek ben naar iets anders. Bij het schrijven van een roman weet ik vaak al heel vroeg vrij precies wat het verhaal is dat ik wil vertellen. Nu tast ik in het duister, maar dit wordt dan ook geen roman. Deze overpeinzingen moeten deel gaan uitmaken, heb ik besloten, van mijn doorlopende onderzoek naar de aard van het menselijke bewustzijn. Ik hoop dat ik iets op het spoor kom door een mensenleven vanaf dag 1 zorgvuldig en van dichtbij te observeren. En daar verslag van te leggen. En dat dan ingebed in de actualiteit van mijn leven: de gebeurtenissen van dag tot dag, mijn gedachten daarover.

Nu ja, weet ik veel, we zullen wel zien wat mijn slapeloze momenten opleveren. (Als het allemaal mislukt, kan ik mijn dochter in ieder geval een leuke verzameling observaties aanbieden op haar achttiende verjaardag.)

Ondertussen probeer ik overdag in blokjes van tien of vijftien minuten, als de eisen van dochter J het toelaten, verder te werken aan een roman die helemaal niets met baby’s te maken heeft.

‘Romans zijn van de lange adem,’ schrijft Valeria Luiselli in De gewichtlozen, een roman zo gefragmenteerd dat ik die nu makkelijk kan lezen. ‘Ik heb een baby en een middelste kind. Ze laten me niet ademen. Alles wat ik schrijf zal – kan – alleen maar van de korte adem zijn. Van weinig lucht.’

Misschien werkt het voor haar zo. Wat mijzelf betreft hoop ik bij God dat ze loeihard ongelijk heeft.

Jaar 1 (#5)

Woensdag 5 april 2017
Ze is in staat me tot een ongekende wanhoop te drijven met haar huilen: er is niets verdrietiger dan de aanblik van iemand die totaal niet weet wat haar overkomt maar die wel pijn heeft, en wat zo zeer tot wanhoop stemt, is dat woorden haar niet kunnen troosten, slechts daden: eten geven, luier verschonen, zachtjes wiegen. Soms niks, soms is ze ontroostbaar.

Op andere momenten beweegt ze me tot een mildheid waarvan ik de vorm wel herken, maar de diepte niet. De hemelse kraamhulp helpt ons door de paniek van deze eerste dagen thuis. Ik mag even naar buiten om boodschappen te doen bij de drogist, bij Blokker, bij de Hema. Ineens waardeer ik al die winkels waar ik op andere momenten mijn afschuw over uitspreek omdat ze ervoor zorgen dat alle winkelstraten in Nederlandse steden en dorpen op elkaar lijken.

We blijken allerlei dingen nodig te hebben waar ze in de zwangerschapsboeken niet over schreven. Ik zwalk met mijn boodschappenlijstje over de Haarlemmerdijk, als een verliefde puber, knoop in de maag. Op elke straathoek raadpleeg ik mijn telefoon: om te zien of F niet in paniek gebeld heeft (gebeurt niet), om een geheime blik te werpen op een aantal van de vele foto’s die ik van J heb genomen.

Een jongeman van Noord-Afrikaanse komaf roept mijn naam. Ik ken hem niet, maar stap op hem af. ‘We zijn naamgenoten,’ zegt hij lachend, en dat zal best, maar hoe kent hij mijn naam? Even voelt het alsof ik in een marketingtruc geluisd word. Dan zegt hij: ‘Ik zag je op televisie.’

We praten kort over mijn laatste boek, maar het onderwerp interesseert me niet. Met de verbale incontinentie die bij mijn nieuwe verliefdheid past vertel ik dat ik net een dochter heb gekregen. Aan een wildvreemde. De tranen branden in mijn ogen. Hij moet een zijstraat in, we nemen afscheid. ‘Dag naamgenoot,’ zeg ik met een dikke keel. Het had niet veel gescheeld of ik had de arme man omhelsd en was met mijn neus in zijn hals in snikken uitgebarsten.

Jaar 1 (#4)

Dinsdag 4 april 2017
Ze is meteen een persoon. Voor F en mij was ze er al toen ze nog in de baarmoeder zat, met naam en al, ze had zelfs een bijnaam, of liever: een codenaam. Maar voor anderen is ze er pas vanaf haar geboorte.

Nu ze zichtbaar is, worden haar meteen eigenschappen toegekend. De persoonlijkheid wordt van buitenaf geboetseerd. Ze heeft jouw neus, zegt iemand. Ze heeft F’s mond, zegt een ander. Die donkere bos haar, komt dat door jouw Marokkaanse roots? Nee, F had bij haar geboorte ook zo’n bos.

Maar ze is ook iemand die we nog moeten leren kennen. Iemand die zichzelf aan het bouwen is, zonder dat ze zich daarvoor hoeft in te spannen, en wij moeten haar raadsel ontrafelen, terwijl we het ondertussen óók zelf bedenken.

We mogen naar huis. Daar hangt kleding voor haar klaar die we uitzochten toen we haar nog niet kenden, er is zelfs een pakje dat we na de eerste echo kochten, toen we nog niet eens wisten of ze een meisje of jongen was. Maar we hadden wel al een idee van een kind, vaag nog, abstract. Het idee is inmiddels beeld geworden en je kunt het beeld aanraken. Ze is echt.

Jaar 1 (#3)

Maandag 3 april 2017
We moeten slapen. F vooral, want die is er erger aan toe dan een gemartelde uit de Abu Ghraib-gevangenis. De hele maandag in het ziekenhuis is opgegaan aan kraamvisite, afgewisseld met een niet-aflatende parade van ziekenhuispersoneel dat op elk denkbaar en ongelegen moment onze kamer binnen wenste te komen.

We moeten slapen, maar onze kersverse J wordt juist ’s avonds en vroeg in de nacht onrustig. F ligt aan haar bed gekluisterd vanwege het infuus en vanwege haar verwondingen, het is aan mij om J te verschonen, te voeden, te troosten, of pogingen daartoe te ondernemen – maar nu ze zo huilt op dit nachtelijke uur, raakt mijn trukendoos snel leeg. De wanhoop gaapt. Ze blijft maar huilen. Ergens voorbij middernacht geef ik het op, roep de hulp in van een verpleegster. ‘We weten het niet meer en we zijn doodop.’

De verpleegster bakert haar in met een techniek die ik onmiddellijk vergeet want door het slaapgebrek lijd ik aan geheugenverlies en ik ben hoe dan ook slecht in origami. Ze biedt ook aan om onze dochter even mee te nemen, in haar rijdende wiegje. Dan kunnen zij en haar collega’s een paar uurtjes op haar letten en dan kunnen wij wat slaap inhalen. Het voelt alsof iemand ons de oplossing voor al onze problemen offreert, een aanbod doet dat te mooi is om waar te zijn. We stemmen in.

Ik heb de deur van onze kamer nog niet achter me dichtgetrokken of ik begin te janken. ‘Ik vind dit zo erg,’ jammer ik tegen F. ‘Dat we dit moeten doen. Dat we haar wegsturen.’

Een nacht later gaat het wegsturen probleemloos. We noemen het ‘een paar uurtjes uit logeren bij de nachtzusters’. Pas nu we erom hebben kunnen lachen, halen we echt een beetje slaap in.