Nabokov Herlezen (#2): ‘Russian spoken here’ en ‘Sounds’

De sigarenwinkel uit de film Smoke (1995).
De sigarenwinkel uit de film Smoke (1995).

In dit rubriekje zullen op den duur zeker ook de romans van Nabokov ter sprake komen, maar ongeveer  20 van de 52 verhalen in de Collected Stories schreef hij nog vóór de verschijning van zijn debuutroman Mary (Masjenka). Daarom zal ik me voorlopig op die verhalen richten. Vandaag bespreek ik er twee, uit 1923.

In het verhaal ‘Hier spreekt men Russisch’ (‘Russian spoken here’) spelen een sigarenhandelaar en zijn zoon Petja eigen rechter: ze nemen een GPOE-man/tsjekist (wat later KGB is gaan heten) gevangen. In hun badkamer maken ze een cel voor hem. Ze veroordelen hem tot levenslang. Bij het vonnis krijgt de man te horen ‘dat er maar één geval was waarin hij amnestie zou krijgen. En wel: hij zou vrijgelaten worden op de dag dat het met de bolsjewieken gedaan zou zijn.’

Tot de verschijning van de postume Collected Stories-uitgave is dit verhaal, waarschijnlijk vroeg in 1923 geschreven, ongepubliceerd gebleven. Kreeg Nabokov het destijds niet gesleten? En vond hij het later in zijn leven, toen hij zijn oude verhalen in ‘dozens’ van dertien verhalen per keer uitgaf, niet goed genoeg?

Dat lijkt me toch sterk. ‘Hier spreekt men Russisch’ is eigenlijk het tegenovergestelde van het vorige week besproken ‘Geestendom’. Waar dat verhaal zwak was, met hier en daar een glimpje van latere kunde, is ‘Hier spreekt men Russisch’ een sterk en strak verhaal, met hier en daar een kleine zwakte.

Er is actie, er is een plot, er is een spanningsboog. Er zit ook humor in en een aangenaam lichte verteltrant, terwijl er toch een vrij akelig relaas wordt ontvouwd. En precies op dat punt krijgen we een thema te zien dat nog vaak zal terugkeren in de geschriften van Nabokov, al is het in dit geval op een vreemde manier. De sympathieke sigarenhandelaar Martyn Martynytsj en diens zoon Petja blijken namelijk uiteindelijk, voor wie er oog voor heeft, wrede mensen. Voor wie er oog voor heeft, schrijf ik, en hier dreigt een discussie over ‘de intentie van de auteur’, want wilde Nabokov ons lezers inderdaad doen beseffen dat het gedrag van vader en zoon te ver gaat? Of wilde hij de lezer slechts vermaken met een relaas over het terugpakken van een bolsjewiek/GPOE-man? Of is het verhaal, zoals Andrea Pitzer suggereert in The Secret History of Vladimir Nabokov, een vorm van wensdenken, de botviering van een wraakzuchtige fantasie?

Het doet er niet toe. Nabokov is dood, we zullen het nooit weten. Wat ertoe doet, is wat wij lezen – en wat ik hier lees, is hoe twee mensen met begrijpelijke, invoelbare bedoelingen tóch over de schreef van het toelaatbare gaan, en dat is eigenlijk altijd iets fascinerends om over te lezen.

De stilist Nabokov groeit, in dit verhaal. Erg mooi vind ik de beschrijving van de etalage van de sigarenwinkel. Daarin liggen ‘in hun lichte kistjes rijen sigaren te grijnzen.’ Dit is fantastisch schrijven. Geen voor de hand liggende vergelijking in de trant van: ‘de rijen sigaren deden denken aan bruin geworden tanden’, nee, hij laat die overeenkomst met een rij tanden helemaal weg en suggeréért die slechts, met dat ene woord ‘grijnzen’.

Een ander mooi detail: de sinaasappel in de beschrijving van de cel waarin de GPOE-man gevangen zit: ‘Aan de linkerwand glansde een spiegel… Op een tafeltje naast het bad lagen boeken, blonk een schoteltje met een geschilde sinaasappel, en stond een ongeopend flesje bier.’ Zo’n prachtig alledaags detail in zo’n bizarre setting: ja, daar kun je mij voor wakker maken, hoor.

(Tot slot: afgelopen maandag schreef ik in mijn column voor Vrij Nederland over rookwaren in culturele uitingen, en wat daarvan moet worden nu tabak op steeds meer plekken verboden wordt. Ik noemde daar het voorbeeld van de film Smoke, die zich in een sigarenwinkel afspeelt, maar dit verhaal van Nabokov had net zo goed gekund.)

Ook de hoofdfiguur van het verhaal ‘Geluiden’ (‘Sounds’, eveneens uit 1923) vertoont wrede trekken. Een jongeman is hij vermoedelijk, verwikkeld in een liaison met een getrouwde vrouw. Samen bezoeken ze een sukkelige kennis, Pal Palytsj. Na het bezoek blijkt de minnares van onze jongeman haar sigarettenpijpje vergeten te zijn bij Pal Palytsj thuis. De jongeman keert terug en treft Palytsj in tranen.

Waarom? Het zal wel iets met die vrouw te maken hebben, maar het kan de verteller weinig schelen. Op de terugweg overdenkt hij: ‘Ik voelde dat ik had gebaad in andermans leed, dat ik glansde door andermans tranen.’ Terug bij zijn geliefde vertelt zij dat ze besloten heeft haar man voor hem te verlaten. Maar dat blijkt helemaal niet de bedoeling van de jongeman: ‘Ik onderbrak jou met mijn zwijgen. […] Wat kon ik tegen je zeggen? Kon ik me beroepen op vrijheid, gevangenschap, zeggen dat ik niet genoeg van je hield?’

De affaire is ten einde, en daarmee ook het verhaal.

Hier is de jonge Nabokov bezig zijn expressionistische vermogen uit te testen en dat pakt niet overal even goed uit, naar mijn smaak. Anders gezegd: hij slaat nogal door in zijn lyriek. Albums met bladmuziek worden ‘fluwelen doodkisten’, maar dat is een vergelijking puur op vorm, niet op inhoud of op gecodeerde betekenis. Je ziet ook aan de tekst af dat Nabokov absoluut niet van muziek hield: zijn beschrijvingen ervan klinken vals, onkundig. Verder stuiten we op een hoop holistisch geneuzel: ‘En toen ik me diep in mezelf terugtrok leek de hele wereld me zo – homogeen, congruent, verbonden door de wetten der harmonie. […] Alles was één, gelijkwaardig, goddelijk.’

Het lijkt alsof de jonge Nabokov pas echt goed wordt wanneer hij minder fraaie beelden presenteert. Over Pal Palytsj schrijft hij bijvoorbeeld: ‘Zijn gezicht zag eruit alsof het van boterachtige boetseerklei was gemaakt’, en de man spreekt ‘licht stotterend bij de labialen’ – niet bij de harde dentalen, maar bij de zachte labialen: op een of andere manier vind ik dat heel goed bij dat boterachtige boetseerklei-gezicht passen.

Sterk in het verhaal is ook hoe Nabokov een patroon van terugkerende en met elkaar samenhangende beelden introduceert: zonlicht na regen zorgt voor ‘lange gouden druppels’; er komt een presse-papier voorbij waarvan de glazen bol een miniatuur bevat van ‘de Izaäk-kathedraal bespikkeld met gouden zandkorrels’; later op de dag ‘had de zon haar hete oker rondgespat’; er komt een fox-terriër langs, die op haar rug rolt ‘waardoor haar roze, met grijze landkaartachtige vlekken bespikkelde buikje zichtbaar werd’; en weer later gaat het over ‘de zonnevlekken op je jurk’. En zo ontstaat een patroon van kleurrijke spikkels en vlekken, als op een pointillistisch schilderij.

Dan beginnen sommige van die zweverige uitspraken op hun plek te vallen. Ergens meldt de hoofdfiguur: ‘Ik had de gewaarwording dat ik in een miljoen wezens en voorwerpen versplinterd was. Nu ben ik een geheel; morgen zal ik opnieuw versplinteren.’ Voor mij is dat een treffende omschrijving van het gevoel van gelukzaligheid. Kortdurend ervaar je de wereld als eenheid, daarna raakt alles weer gefragmenteerd, bestaat de wereld weer uit losse onderdelen, splinters.

Vlekken, spikkels: eventjes vormen ze een patroon, een eenheid, een verhaal. Daarna zijn het gewoon weer vlekken en spikkels.