Jaar 1 (#5)

Woensdag 5 april 2017
Ze is in staat me tot een ongekende wanhoop te drijven met haar huilen: er is niets verdrietiger dan de aanblik van iemand die totaal niet weet wat haar overkomt maar die wel pijn heeft, en wat zo zeer tot wanhoop stemt, is dat woorden haar niet kunnen troosten, slechts daden: eten geven, luier verschonen, zachtjes wiegen. Soms niks, soms is ze ontroostbaar.

Op andere momenten beweegt ze me tot een mildheid waarvan ik de vorm wel herken, maar de diepte niet. De hemelse kraamhulp helpt ons door de paniek van deze eerste dagen thuis. Ik mag even naar buiten om boodschappen te doen bij de drogist, bij Blokker, bij de Hema. Ineens waardeer ik al die winkels waar ik op andere momenten mijn afschuw over uitspreek omdat ze ervoor zorgen dat alle winkelstraten in Nederlandse steden en dorpen op elkaar lijken.

We blijken allerlei dingen nodig te hebben waar ze in de zwangerschapsboeken niet over schreven. Ik zwalk met mijn boodschappenlijstje over de Haarlemmerdijk, als een verliefde puber, knoop in de maag. Op elke straathoek raadpleeg ik mijn telefoon: om te zien of F niet in paniek gebeld heeft (gebeurt niet), om een geheime blik te werpen op een aantal van de vele foto’s die ik van J heb genomen.

Een jongeman van Noord-Afrikaanse komaf roept mijn naam. Ik ken hem niet, maar stap op hem af. ‘We zijn naamgenoten,’ zegt hij lachend, en dat zal best, maar hoe kent hij mijn naam? Even voelt het alsof ik in een marketingtruc geluisd word. Dan zegt hij: ‘Ik zag je op televisie.’

We praten kort over mijn laatste boek, maar het onderwerp interesseert me niet. Met de verbale incontinentie die bij mijn nieuwe verliefdheid past vertel ik dat ik net een dochter heb gekregen. Aan een wildvreemde. De tranen branden in mijn ogen. Hij moet een zijstraat in, we nemen afscheid. ‘Dag naamgenoot,’ zeg ik met een dikke keel. Het had niet veel gescheeld of ik had de arme man omhelsd en was met mijn neus in zijn hals in snikken uitgebarsten.