Prijs (m/v)

Grass_Skiing_World_Championships_2009_Super_Combined_Women_Prize_Giving_Ceremony

Vandaag zijn de nominaties voor de Anna Bijns Prijs bekendgemaakt, meldt NRC Handelsblad. Op www.annabijnsprijs.nl leren we de hoofddoelstelling van de Anna Bijns Prijs kennen: “aandacht voor Nederlandstalige literatuur van vrouwen. [...] Zij herstelt daarmee wat andere titelprijzen verzuimen.”

Prijs is een mannelijk woord, maar goed, alsnog: prima. Schitterend. Nobel.

Wie is er vandaag genomineerd? Hé, Anne Vegter. Was dat niet de Dichteres des Vaderlands? Had die niet — onder meer — de Woutertje Pieterse Prijs 1990, de Anna Blaman Prijs 2004 en de Awater Poëzieprijs 2011 gewonnen? Nou, gelukkig maar voor haar dat er zo’n speciale vrouwenprijs bestaat. In de mannenwereld zou zo iemand absoluut geen kans krijgen…

Selectief tellen

Ach, ik zou selectief tekeer gaan tegen vrouwen, schrijft de vrouw van wie ik die klacht wel het minst verwacht had: Carolina Trujillo. Dat doet ze op de weblog van Tirade.

Maar lieve Carolina, ze zijn er echt wel hoor, de chagrijnige of kritische opmerkingen over mannelijke schrijvers en critici. Over Dautzenberg, Grunberg (veel!), Leon de Winter (heel veel!), Arjen Fortuin (opletten, Carolina!), Arjan Peters (wat zeg ik nou?), Kluun, Abdelkader Benali, Dimitri Verhulst, en nog een hele rits anderen.

Als je dan toch mijn hele timeline overhoop haalt, doe het dan goed.

Dan zul je trouwens óók zien dat er vele prijzende woorden over vrouwelijke auteurs zijn gevallen. En niet alleen op Facebook. Laatst nog, toen De Morgen me naar mijn zomertip vroeg, prees ik jouw meest recente roman de hemel in, weet je nog? Maar goed, dat past nu eenmaal niet in het plaatje van iemand die vrouwelijke auteurs consequent afzeikt.

Dus hop, terug naar je hok en opnieuw tellen. En waag het niet weer tevoorschijn te komen met zo’n gemakzuchtig stukje. Van jou verwacht ik meer.

Liefs,
Jamal

 

Gehaktbal

GehaktbalLaatst at ik voor het eerst in plusminus 27 jaar weer eens een gehaktbal, ambachtelijk klaargemaakt door mijn lief. Nu ga ik een zelfhulpgroep oprichten voor vegetariërs die terug willen keren naar het Ware Geloof van Het Vlees. Want mensen, wat hebben we lopen dwalen… Het is een moeilijke weg, en ik beloof eenieder die zich bij mijn beweging aansluit intensieve psychologische begeleiding, bibliotherapie en veel vlees. Aanmelden kan via slachten@terugnaarhetvlees.nl. Dit alles is hard nodig in tijden dat zelfs de mozzarella ons ontnomen dreigt te worden!

Nelleke en de Nieuwe Tijd

Nelleke Noordervliet
Nelleke Noordervliet poseert met een Eng Modern Apparaat

Soms is iets zo gênant dat je liever niet zou kijken. Maar het bevindt zich open en bloot in de publieke ruimte. Je kan niets anders doen dan tóch kijken en zo goed mogelijk je best doen niet in lachen uit te barsten.

Ik heb het over Nelleke Noordervliet die in De Groene Amsterdammer de roman maar weer eens dood verklaart. Goedemorgen! Trekt u even een nummertje? Ga daar maar naast Bas Heijne in de wachtkamer zitten. Okido!

Och, man, je moet het lezen om het te geloven. Het gaat met knullige hobbymetaforen (‘Het leven zonder literatuur is als een kindertekening van een huis’), het gaat met aforismen waar een geestelijk gehandicapte nog vraagtekens bij zou plaatsen (‘Schrijven is altijd het overwinnen van schaamte’), maar het ergste is: Noordervliet denkt te weten hoe de moderne tijd in elkaar steekt. Ze raaskalt over Twitter, waar ‘belezen mensen’ met de dood bedreigd zouden worden. Dat zal dan wel komen van dat ene avondje dat ze voor NRC Twitter-vragen beantwoordde. Laatste post van @nellekenoorderv: 20 september 2012.

Ook schrijft ze over blogs en dat gaat in één adem met ‘likes of hates op Goodreads of Amazon’. Je zou willen schreeuwen: Nelleke, heb je ooit in je leven een van die sites bezocht? En weet je überhaupt wel wat een blog is? Heb je wel eens – ik noem maar even wat – De Contrabas bezocht, een website rijker dan de meeste boekenbijlagen?

Het gelul houdt niet op: ‘Een schrijversavond voor een jong publiek van nu is een sociale happening, waarbij het optreden vooral kort en het drinken lang moet zijn.’ Geloof toch niet wat ze in de lifestylerubriekjes van de krant schrijven, Nelleke, maar kom zelf eens kijken op zulke avonden. Je zult orgastisch worden van de diepgang, geloof me.

Enfin, zo gaat het maar door, tenenkrommende alinea na tenenkrommende alinea… Op het eind probeert ze nog een positieve draai te geven aan haar ‘literaire essay’, maar het is al te laat. Rampzaliger dan hier gebeurt kan een mens niet door de mand vallen.

Arme Nelleke… Het is alsof ik Wim Kok weer voor me zie die ooit op tv wilde laten zien dat hij heus wel wist hoe een computermuis werkte en het ding vervolgens tegen het beeldscherm van de pc in kwestie hield in de hoop dat er wat zou gebeuren.

Nel, geef het op. De moderne tijd kan zonder je en jij zonder de moderne tijd. Ga lekker historische romans schrijven en val ons niet lastig met je teloorgangsgemekker.

 

‘Stuk’

Kiekeboe

Aan: Maartje Wortel
Re: stuk van marja pruis

Hoi Maartje,

Dank voor je mail. Wat leuk om zo onverwacht van je te horen, het is toch alweer een tijd geleden dat we elkaar zagen, of vergis ik me? Misschien even kort in het voorbijgaan op het Das Magazin-festival? Of langer geleden? Als je de journalisten mag geloven die zo graag verslag doen van het wereldje van hippe jonge schrijvers, dan vormen wij een gezellige clan die minstens twee keer per week in een hoofdstedelijk etablissement de literatuur staat te vieren met cocktails, snelle muziek en zalen vol mooie meisjes en jongens. Jij en ik weten dat het allemaal wel meevalt.

Er zit ook iets beschuldigends in die reportages, in de trant van: ze houden elkaar allemaal de hand boven het hoofd, dat laffe rapaille van de jongste generatie. Een klef kliekje. Durven niet kritisch te zijn omdat ze elkaar dan niet meer onder ogen kunnen komen op hun feestjes.

Ook dat valt wel mee, als ik voor mezelf spreek. Ja, van debutanten moet je afblijven, vind ik: iedereen heeft recht op één mislukt boek. Maar nu de meeste schrijvers van ‘onze’ generatie inmiddels toe zijn aan hun tweede of derde of soms zelfs vierde boek, moeten we elkaar geen mietje noemen. Dat zijn we verplicht aan datgene wat wij allemaal belangrijk vinden (onze enige overeenkomst): de literatuur.

(Nog zoiets: ‘onze’ generatie. Het afgelopen jaar zag ik mezelf — en jou trouwens ook — nu en dan opduiken in lijstjes en top10’s van veelbelovend jong talent of schrijvers onder de 35, onder de 40, boven de 12 of onder de 80 — hoe ze het ook maar wensten te noemen. Dan vind ik mezelf (1978) terug in een lijstje samen met, noem eens iemand, Thomas Heerma van Voss (1990). Uitstekende schrijver, daar niet van, maar ik denk wel: zijn hij en ik van dezelfde generatie? Als 12 jaar de spanwijdte is, dan behoor ik dus óók tot de generatie van, pak ’m beet, Grunberg (1971), en dat lijkt me stug: ik zat amper op de middelbare school toen die gozer debuteerde. Je kunt natuurlijk ook dat hele generatie-gezever afschaffen. Dat zou voor iedereen het beste zijn, behalve voor de journalisten, die dan weer iets nieuws moeten bedenken.)

(En nog even dit: ‘elkaar geen mietje noemen’ heeft wat mij betreft betrekking op werk. Op dat wat iemand schrijft. De sfeer tijdens die literatuurfeestjes zou er niet bepaald op vooruit gaan als we elkaar bij zulke gelegenheden zouden gaan bekritiseren, toch? ‘Hé, hoi, hoe is het met jou? Slecht zeker, als je zulke kutboeken schrijft?’ Nee, dat zou niet werken, wat jij, Maartje? Hoffelijkheid, een vriendelijke glimlach, een paar algemene opmerkingen over Het Vak, en verder: zwijgen over specifieke titels: dat lijkt mij persoonlijk de beste aanpak.)

Ho, ik ben afgedwaald. Waar het me om ging, is dat je mail natuurlijk ongetwijfeld geïnspireerd is door een opmerking van mij op Facebook, waarin ik de ‘schrijfadviezen’ die jij en Ellen Deckwitz afgelopen maandag in de Volkskrant publiceerden, ‘kleutertjesschrijflessen’ noemde. (Ja, er was ook een bijdrage van Daan Heerma van Voss — vind ervan wat je wilt, maar om zijn bijdrage hing in ieder geval niet dat hobby-achtige cupcakeluchtje.)

Zo’n speldenprik van mij kun je naast je neerleggen (ik wist trouwens niet dat wij Facebook-vrienden waren? Of heb je de NSA ingeschakeld?), of je kunt schrijven: Jamal, jij klootzak!

Maar nee. Je stuurt me een link naar een artikel van Marja Pruis. Marja Pruis! Nog een wonder dat je epistel niet vol-automatisch in mijn postvakje met ongewenst leesvoer terecht is gekomen.

Maar goed, Marja. Ik heb haar eh, hoe zullen we het noemen? ‘Stuk’? Ja, laat ik de zaken én jouw mail serieus nemen. Ik heb haar stuk gelezen. Leuk! Genoten!

Fijn dat het niet altijd dezelfde figuren zijn die over man-vrouw-verschillen schrijven, maar dat Marja Pruis zich er nu eindelijk eens een keertje tegenaan bemoeit. En ook heel bijzonder dat zij schrijft over The Flamethrowers van Rachel Kushner: het werd hoog tijd dat iemand in Nederland eens aandacht zou besteden aan dat zwáár ondergewaardeerde boek. En die associatie met Rebecca Solnit is ook origineel. In die paar heel, heel zeldzame besprekingen van Kushners boek heeft nog niemand, werkelijk helemaal niemand dat verband opgemerkt: Mannen Leggen Dingen Uit Aan Vrouwen.

 Briljante vondst van onze Mar!

Enfin, hoe briljant dat is, hoef ik jou natuurlijk niet te vertellen, want voor je het weet ben ik een man die een vrouw iets probeert uit te leggen. De hemel beware!

Vreemd trouwens, zo’n uitspraak als: ‘De vrouw luistert naar de man die praat, ook al weet zij beter.’ Klinkt natuurlijk wáánzinnig interessant, zo’n uit Amerika overgewaaid theorietje. Maar is een bekend cliché over man-vrouw-verhoudingen niet, dat het juist de vrouwen zijn die hun zwijgzame mannen de oren van de kop lullen?

Clichés hebben vaak de onaangename eigenschap een kern van waarheid te bevatten.

In wezen is het natuurlijk allemaal gelul. Mannen en vrouwen, wanneer je ze als groepen beschouwt, verschillen minder van elkaar dan individuen binnen die groepen. Anders gezegd: dat hele man-vrouw-gemekker komt me zo onderhand stierlijk de strot uit. Als argument in discussies — of in e-mails — is het wat mij betreft een zwaktebod. Het valt me dan ook echt tegen van je dat je enige antwoord op mijn mild-kritische Facebook-opmerkinkje een verwijzing naar Moeder Marja is, die weinig anders kan dan haar Amerikaanse vriendinnetjes nabauwen.

God, Marja Pruis… Als je haar moet geloven, mag het een wonder heten dat vrouwen überhaupt wel eens iets presteren in onze maatschappij. Want ze hebben het maar zwaar, met al die mannen die hun proberen te vertellen hoe de wereld in elkaar zit. Sterker nog. De mannelijke ‘overconfidence’ staat (als ik Pruis in navolging van Solnit mag geloven) min of meer gelijk aan hetgeen aanranders doen: vrouwen duidelijk maken dat de wereld niet van hun is.

Oef. Het is me het beschuldigingetje wel…

Goed. Ter zake. Je vroeg me hoe het met me gaat. En met mijn boek. Antwoord: heel aardig, al is het nog flink aanpoten om het ding tijdig af te krijgen voor publicatie in november. Ik ga kapot van onzekerheid, word elke ochtend om 6 uur wakker en denk: het gaat me niet lukken!, lig twee uur lang te woelen, slaap rond 8 uur weer in, en probeer laat in de ochtend alsnog aan het werk te geraken. Ongeveer één keer per week, een halfuurtje lang, denk ik (halfslachtig): Mjah, misschien wordt het toch wel wat…

Nee. Dat is niet waar.

Zal ik eerlijk tegen je zijn? Zal ik jou als enige in vertrouwen nemen?

Eigenlijk heb ik dat boek al meer dan een halfjaar af. Maar ik wil het nog niet uit handen geven, zo gelukkig ben ik ermee. Elke dag weer lees ik het manuscript van voor tot achter, en dan denk ik: ja, fantastisch! Dat is mijn mannelijke zelfoverschatting. En waarom ook niet? Het maakt geen flikker uit wat ik schrijf, als er maar letters op dat papier staan en er een kaftje omheen komt. Dan kan ik straks, in november, genieten van de vele, vele recensies die mij — als man — ten deel zullen vallen. Hoef ik niks voor te doen, gaat gewoon vanzelf. O, en het wordt weer aanschuiven bij die talloze radio- en tv-programma’s, jaja, de vrouwtjes doen het niet, dus ik zal wel moeten. En dan volgend jaar natuurlijk het prijzencircus. Nou, nominaties gegarandeerd hoor, want: ik ben een man! Hoef ik verder geen fuck voor te presteren. Jij weet net zo goed als ik dat ik achteraan stond toen het schrijftalent werd uitgedeeld. Ik klungel maar wat raak, maar ze vreten het, de dames en heren critici — enkel en alleen omdat ik een lul tussen mijn benen heb hangen en een grote bek vol zelfvertrouwen op mijn romp. Handig, niet?

En jij, Maartje? Al aan nieuw werk begonnen? Zal niet meevallen, als vrouw. Ik wens je veel sterkte. Als je nog tips nodig hebt bij het schrijven — Ellen Deckwitz schreef laatst in de Volkskrant hoe je je originaliteitsspier kunt trainen. Dus…

Sterkte en veel liefs,

Jamal

Amsterdam-Centrum, vrijdag de 13e, juni 2014.

Ik heb vlees gekeken. Het kwam in pusbleke uitvoeringen, het werd geleverd in het schrijnende vaginaroze van overbezonning, ze toonden het in anusbruin en tatoeagegroen, het waaierde van tuberculeus tot nicotinair en alles was oranje. Zelfs het Heinekengroen in plakkerige klauwen kleurde oranje. Het vlees in al zijn hompen en kwabben, tevoorschijn kierend vanonder oranje T-shirts, bezaaid met wratten, bestriemd met striae. Puisten, abcessen, mee-eters. In Britse boxers bungelden tussen klamme baconbenen kleverige piemels, uitgeput van bierpis, van de prostituee die maar trekken bleef terwijl-ie niet wilde. Zo eerden zij onze driekleur: rooie ogen/witte pens/blauwe ballen. Ze waren met treinen gekomen, met vliegtuigen, ze kwamen uit muizenholen en molshopen, uit putten en kerkers, uit de provincie, en alles was oranje. Ik heb vlees gekeken dat glom van zweet en van zonnecrème. Ik heb tieten aanschouwd waaruit je, als je goed luisterde, de siliconen kon horen weglekken. Kinderen, huilend en lachend, veelal te dik, en alles was oranje. De zon maakte geen onderscheid, lichtte ieders obese koteletten even scherp uit. Rollades in spaghettihemdjes, albino’s in polo’s, lillend, lillend, lillend. Braadworstbruine benen marcheerden klotsend door de winkelstraten. En alles was oranje.

Te complex

Trujillo

Jammer: vanaf het moment dat ik aankondigde een vast rubriekje over haar te willen beginnen, heeft Janet Luis al weken geen recensies meer gepubliceerd in de vrijdagse boekenbijlage van NRC Handelsblad. En het is nog wel een van mijn favoriete hobby’s: de recensent recenseren… Gelukkig neemt Arjen Fortuin het stokje behendig van haar over met een nieuw hoogtepunt in de Nederlandse literatuurkritiek: volgens Fortuin is de onlangs verschenen roman De zangbreker, van Carolina Trujillo, te complex. Oei. Moet je godverdomme nog gaan nadenken ook, tijdens het lezen. Daar is literatuur natuurlijk niet voor bedoeld. Hop, balletje eraf.

Verder scoort de recensent met het aanwijzen van enkele slordigheidsfoutjes (die in zo ongeveer elke eerste druk van een dik boek te vinden zijn, maar goed). Opvallend is de subtiele wijze waarop Fortuin deze foutjes parodieert, door in zijn recensie zelf ook een paar uitglijers te maken. “Verderop,” schrijft Fortuin, “krijgt Tony kritiek op de weinig subtiele middelen waarop hij zijn dalers naar onderen op duwt.” Juist. Middelen waarop. Opduwen naar onderen. Klasse, dit. Sympathiek is ook hoe hij de AKO-nominatie die Trujillo ontving voor haar roman De bastaard van Mal Abrigo “verdiend” noemt. Alleen: die nominatie ging naar een ander boek, De terugkeer van Lupe Garcia. Vast en zeker ook verdiend.

Ik zeg: vier sterren voor Fortuin. Tot volgende week!