Jaar 1 (#8)

Zaterdag 8 april 2017
Mijn middelste zus komt naar de baby kijken, samen met haar vijftienjarige zoon. Ik herinner me hem als pasgeborene, als peuter, als kleuter. Nu vraag ik wat hij wil drinken en hij antwoordt: ‘Ik ben echt heel erg hard toe aan een kop sterke koffie.’

We praten over zijn literatuurlijst voor Nederlands, hij zegt dat hij het einde van Herman Kochs Het diner volslagen stompzinnig vond, en ik, ouwe lul, vraag me hardop af waarom ze die kinderen niet iets van Koch laten lezen dat wat dichter bij huis (of school) ligt, de man heeft nota bene Red ons, Maria Montanelli geschreven – prima toegangspoortje voor de onwillige middelbare scholier, herkenbaar, hilarisch.

Ik blijf me erover verbazen dat dit neefje, dat er ooit niet was, nu een jongeman is met wie je koffie kunt drinken, met wie je van gedachten kunt wisselen, over literatuur zelfs. Zo zal het met onze dochter ook gaan – wat is het verrekte moeilijk om me daar iets bij voor te stellen.

Jaar 1 (#7)

Vrijdag 7 april 2017
Ze drinkt als een bezetene. Ooit, op een strand bij Boca Raton in Florida, mocht ik een groep biologen helpen babyschildpadjes, nadat ze uit het ei waren gekropen, te vangen voor wetenschappelijk onderzoek. De eieren lagen een armlengte diep in het zand begraven, de schildpadjes moesten zich zelf een weg naar boven graven en vervolgens, al rennend, de weg naar de branding van de oceaan afleggen.

Een gevaarlijke tocht, dus alles moet snel gaan. Dat snelle bewegen, dat manische van die schildpadjes – de Amerikaanse biologen spraken van frenzy. In een soortgelijke staat van frenzy drinkt onze dochter haar flessenmelk – haar drukte een cocktail van reflexen en instincten. Als je de speen even uit haar mond haalt om haar af te remmen, begint ze wild met haar armen te maaien en als je dan nog steeds niet opschiet met het terugstoppen van die speen in haar mond, dan zet ze een keel op, misschien komt die uitdrukking hier wel vandaan: een brullende baby, de mond wijd opengesperd, het nog tandeloze tandvlees, die ongeremde primal scream. Eén en al keel. Ze is een wild beest.

Jaar 1 (#6)

Donderdag 6 april 2017
O, daar heb je weer zo’n schrijver die een kind krijgt en er meteen over moet gaan schrijven. Meneer maakt ook eens iets mee. Ja. Ik ontken dat niet. Waar deze aantekeningen toe zullen leiden, weet ik nog niet precies, maar ik ben ze nu eenmaal gaan maken, diep in de nacht, op momenten dat ik na een voeding en een luierverschoning de slaap niet meteen weer kon vatten.

Koddige vaderschapsdingetjes, geschikt voor de Viva of de Linda? Lekker herkenbaar en alles? Met een lach en een traan?

Ik wil daar niet op neerkijken, maar ik vermoed dat ik toch op zoek ben naar iets anders. Bij het schrijven van een roman weet ik vaak al heel vroeg vrij precies wat het verhaal is dat ik wil vertellen. Nu tast ik in het duister, maar dit wordt dan ook geen roman. Deze overpeinzingen moeten deel gaan uitmaken, heb ik besloten, van mijn doorlopende onderzoek naar de aard van het menselijke bewustzijn. Ik hoop dat ik iets op het spoor kom door een mensenleven vanaf dag 1 zorgvuldig en van dichtbij te observeren. En daar verslag van te leggen. En dat dan ingebed in de actualiteit van mijn leven: de gebeurtenissen van dag tot dag, mijn gedachten daarover.

Nu ja, weet ik veel, we zullen wel zien wat mijn slapeloze momenten opleveren. (Als het allemaal mislukt, kan ik mijn dochter in ieder geval een leuke verzameling observaties aanbieden op haar achttiende verjaardag.)

Ondertussen probeer ik overdag in blokjes van tien of vijftien minuten, als de eisen van dochter J het toelaten, verder te werken aan een roman die helemaal niets met baby’s te maken heeft.

‘Romans zijn van de lange adem,’ schrijft Valeria Luiselli in De gewichtlozen, een roman zo gefragmenteerd dat ik die nu makkelijk kan lezen. ‘Ik heb een baby en een middelste kind. Ze laten me niet ademen. Alles wat ik schrijf zal – kan – alleen maar van de korte adem zijn. Van weinig lucht.’

Misschien werkt het voor haar zo. Wat mijzelf betreft hoop ik bij God dat ze loeihard ongelijk heeft.

Jaar 1 (#5)

Woensdag 5 april 2017
Ze is in staat me tot een ongekende wanhoop te drijven met haar huilen: er is niets verdrietiger dan de aanblik van iemand die totaal niet weet wat haar overkomt maar die wel pijn heeft, en wat zo zeer tot wanhoop stemt, is dat woorden haar niet kunnen troosten, slechts daden: eten geven, luier verschonen, zachtjes wiegen. Soms niks, soms is ze ontroostbaar.

Op andere momenten beweegt ze me tot een mildheid waarvan ik de vorm wel herken, maar de diepte niet. De hemelse kraamhulp helpt ons door de paniek van deze eerste dagen thuis. Ik mag even naar buiten om boodschappen te doen bij de drogist, bij Blokker, bij de Hema. Ineens waardeer ik al die winkels waar ik op andere momenten mijn afschuw over uitspreek omdat ze ervoor zorgen dat alle winkelstraten in Nederlandse steden en dorpen op elkaar lijken.

We blijken allerlei dingen nodig te hebben waar ze in de zwangerschapsboeken niet over schreven. Ik zwalk met mijn boodschappenlijstje over de Haarlemmerdijk, als een verliefde puber, knoop in de maag. Op elke straathoek raadpleeg ik mijn telefoon: om te zien of F niet in paniek gebeld heeft (gebeurt niet), om een geheime blik te werpen op een aantal van de vele foto’s die ik van J heb genomen.

Een jongeman van Noord-Afrikaanse komaf roept mijn naam. Ik ken hem niet, maar stap op hem af. ‘We zijn naamgenoten,’ zegt hij lachend, en dat zal best, maar hoe kent hij mijn naam? Even voelt het alsof ik in een marketingtruc geluisd word. Dan zegt hij: ‘Ik zag je op televisie.’

We praten kort over mijn laatste boek, maar het onderwerp interesseert me niet. Met de verbale incontinentie die bij mijn nieuwe verliefdheid past vertel ik dat ik net een dochter heb gekregen. Aan een wildvreemde. De tranen branden in mijn ogen. Hij moet een zijstraat in, we nemen afscheid. ‘Dag naamgenoot,’ zeg ik met een dikke keel. Het had niet veel gescheeld of ik had de arme man omhelsd en was met mijn neus in zijn hals in snikken uitgebarsten.

Jaar 1 (#4)

Dinsdag 4 april 2017
Ze is meteen een persoon. Voor F en mij was ze er al toen ze nog in de baarmoeder zat, met naam en al, ze had zelfs een bijnaam, of liever: een codenaam. Maar voor anderen is ze er pas vanaf haar geboorte.

Nu ze zichtbaar is, worden haar meteen eigenschappen toegekend. De persoonlijkheid wordt van buitenaf geboetseerd. Ze heeft jouw neus, zegt iemand. Ze heeft F’s mond, zegt een ander. Die donkere bos haar, komt dat door jouw Marokkaanse roots? Nee, F had bij haar geboorte ook zo’n bos.

Maar ze is ook iemand die we nog moeten leren kennen. Iemand die zichzelf aan het bouwen is, zonder dat ze zich daarvoor hoeft in te spannen, en wij moeten haar raadsel ontrafelen, terwijl we het ondertussen óók zelf bedenken.

We mogen naar huis. Daar hangt kleding voor haar klaar die we uitzochten toen we haar nog niet kenden, er is zelfs een pakje dat we na de eerste echo kochten, toen we nog niet eens wisten of ze een meisje of jongen was. Maar we hadden wel al een idee van een kind, vaag nog, abstract. Het idee is inmiddels beeld geworden en je kunt het beeld aanraken. Ze is echt.

Jaar 1 (#3)

Maandag 3 april 2017
We moeten slapen. F vooral, want die is er erger aan toe dan een gemartelde uit de Abu Ghraib-gevangenis. De hele maandag in het ziekenhuis is opgegaan aan kraamvisite, afgewisseld met een niet-aflatende parade van ziekenhuispersoneel dat op elk denkbaar en ongelegen moment onze kamer binnen wenste te komen.

We moeten slapen, maar onze kersverse J wordt juist ’s avonds en vroeg in de nacht onrustig. F ligt aan haar bed gekluisterd vanwege het infuus en vanwege haar verwondingen, het is aan mij om J te verschonen, te voeden, te troosten, of pogingen daartoe te ondernemen – maar nu ze zo huilt op dit nachtelijke uur, raakt mijn trukendoos snel leeg. De wanhoop gaapt. Ze blijft maar huilen. Ergens voorbij middernacht geef ik het op, roep de hulp in van een verpleegster. ‘We weten het niet meer en we zijn doodop.’

De verpleegster bakert haar in met een techniek die ik onmiddellijk vergeet want door het slaapgebrek lijd ik aan geheugenverlies en ik ben hoe dan ook slecht in origami. Ze biedt ook aan om onze dochter even mee te nemen, in haar rijdende wiegje. Dan kunnen zij en haar collega’s een paar uurtjes op haar letten en dan kunnen wij wat slaap inhalen. Het voelt alsof iemand ons de oplossing voor al onze problemen offreert, een aanbod doet dat te mooi is om waar te zijn. We stemmen in.

Ik heb de deur van onze kamer nog niet achter me dichtgetrokken of ik begin te janken. ‘Ik vind dit zo erg,’ jammer ik tegen F. ‘Dat we dit moeten doen. Dat we haar wegsturen.’

Een nacht later gaat het wegsturen probleemloos. We noemen het ‘een paar uurtjes uit logeren bij de nachtzusters’. Pas nu we erom hebben kunnen lachen, halen we echt een beetje slaap in.

 

Jaar 1 (#2)

Zondag 2 april 2017
Vermoedelijk zal ik de komende tijd vaak de constructie overtreffende trap + zelfstandig naamwoord + ‘van mijn leven’ gebruiken, zoals nu: dit is misschien wel de wonderlijkste nacht van mijn leven. Er is een baby geboren en al gauw wordt haar moeder naar de operatiekamer gereden omdat haar placenta niet loskomt en zodoende operatief verwijderd moet worden.

Ik blijf achter in de verloskamer, met in mijn armen een in een doek gewikkelde dochter. Het is laat, tegen middernacht. Voor vrijwel alle vrouwen die een uur geleden nog om ons heen stonden en dingen schreeuwden als ‘persen! persen!’, zit de dienst erop. Ze nemen afscheid, wensen me geluk.

Ineens ben ik alleen met een baby.

Lange tijd zag ik mezelf als een weliswaar emotioneel gezond ontwikkeld maar toch hoofdzakelijk cerebraal en rationeel man. Sinds mijn debuutroman, die pas bij voltooiing over iets heel anders bleek te gaan dan ik gedurende de vierenhalf jaar van het schrijfwerk had gedacht, weet ik dat het anders zit. Dat ik me veel intuïtiever of instinctiever door het leven beweeg dan ik zelf meen te weten.

Ook nu, alleen met mijn gloednieuwe dochter in deze verlaten verloskamer, blijkt er iets onvermoeds in me te huizen waardoor ik niet met mijn mond vol tanden sta. Ik praat tegen haar, en ik heb geen onderwerp, geen redeneertrant, geen argumenten, geen kwinkslagen tot mijn beschikking, maar die heb ik ook niet nodig want die begrijpt ze toch niet. Ik blijk een geïmproviseerde monoloog te kunnen uitspreken die nergens over gaat en die eindeloos voortduurt, als het nodig is zal ik urenlang doorpraten. Volstrekt irrationeel.

Iemand heeft me op een rode knop gewezen. Als ik het echt niet meer weet, kan ik daar op drukken. Dan zal er een verpleegster komen aansnellen om me bij te staan.

Ik zal deze nacht, de wonderlijkste van mijn leven, verschillende malen van de knop gebruikmaken. Maar tussendoor praat ik en praat ik en praat ik.

 

Jaar 1 (#1)

Zaterdag 1 april 2017
Een vochtig plopgeluid, alsof een natte kurk vrijkomt uit een rubberen champagnefles. Dat het allerlaatste stukje zo snel zou gaan… Alles tegelijkertijd: glibberend landt ze in mijn opgehouden handen; vanuit mijn linkerooghoek zie ik een verontrustende hoeveelheid bloed wegspuiten van tussen de benen van mijn geliefde F – een sprietsend geluid. Later zal de associatie zich aandienen met films waarin mensen onthoofd worden – Kill Bill – hoe de halsslagader na de scheiding van kop en romp nog een paar keer fel pompt. Als een geiser.

Maar nu sta ik in die verloskamer en weet ik van paniek niet waar mijn aandacht als eerste heen moet: naar het bebloede nieuwe leven in mijn armen, of naar mijn misschien wel dode vriendin, leeft ze nog, o god, leeft ze nog na die bloedfontein? Nog nooit in mijn leven ben ik zo vreselijk bang geweest en de enige reactie die mijn lichaam weet te vertonen is: huilen, heel hard huilen, ook als na een seconde of twee alles goed blijkt. F leeft. De baby ook. Beiden kan ik nauwelijks zien door al dat tranengeweld.

Ook de baby huilt, ze wordt op de borst van haar moeder gelegd. Ik veeg mijn wangen droog, meteen worden ze weer nat. Op het gezicht van F lijkt alle pijn van het afgelopen etmaal plaatsgemaakt te hebben voor pure verbazing: ‘Is ze er al?’

Ja, ze is er.