Alle berichten van Jamal Ouariachi

Held (sprakeloos)

VanKootenJacobse

Helden vallen soms van hun voetstuk, maar in het hoogstpersoonlijke pantheon dat mijn schedel is, heb ik Van Kooten en De Bie voorgoed heilig verklaard – nooit zal ik die twee verloochenen. Er is veel mis bij de publieke omroep, maar dat de VPRO elk jaar rond de Boekenweek weer een compilatie van oude Koot & Bie-scènes uitzendt, is een zeldzaam lichtpuntje.

Een paar maanden terug stond ik in de Stadsschouwburg te borrelen, na afloop van Tom Lanoye’s Solo Ten Oorlog. Gedurende de voorstelling had ik naast – dus niet zomaar in de buurt of zo, maar nee, echt letterijk op de stoel náást Kees van Kooten gezeten. Ik kon hem af en toe horen gniffelen als er op het podium iets grappigs gezegd werd, een paar keer klonk er een harde hahaha-lach in mijn linkeroor. Ik kon hem ruiken, een zachtaardig, ietwat archaïsch eau de toilette, de geur van een goedverzorgde, welgestelde bejaarde.

Tijdens die naborrel stond ik op zeker moment te praten met Luc Coorevits, opperhoofd van het Vlaamse literaire theaterimperium Behoud de Begeerte. En toen verscheen Van Kooten. Coorevits en hij begroetten elkaar hartelijk, en ik werd aan ‘Dag, Kees van Kooten, aangenaam’ voorgesteld. Een koele, benige hand.

De stilte deed haar intrede. Er was helemaal niets wat ik kon zeggen. Niets kon ook maar enige indruk van betekenis maken op deze onaantastbare bijna-God. En wat kon hij, omgekeerd, tegen mij zeggen dat zijn tv-optredens of, pak ‘m beet, het meesterlijke Veertig of het hilarische Hedonia te boven zou gaan? Als hij werkelijk een praatje had aangeknoopt, was hij misschien wel enorm tegengevallen.

Die stilte leek lang te duren, maar in feite zwegen we hooguit een seconde. Coorevits hervatte de conversatie, ik werd prompt door iemand anders aangesproken, het contact was verbroken en dat was maar beter ook. Liever dacht ik terug aan die anderhalf uur zwijgen en grinniken naast elkaar in de zaal, terwijl Tom Lanoye als Risjaar Modderfokker den Derde de taal liet ontsporen op het podium.

 

Claus herlezen: “Een zachte vernieling”

20180314_DM_JO_Over_ClausDe Morgen brengt vandaag een special ter gelegenheid van de tiende sterfdag van Hugo Claus. Ik herlas de roman Een zachte vernieling uit 1988. Dat viel tegen.

“Bij Claus fungeren de meisjes als artistieke alpinopetjes, louter bedoeld om het mannelijke lichaam te sieren en te zeggen: kijk, dit is een kunstenaar, want hij heeft een alpinopet op zijn hoofd en een mooi, ‘gewillig’ meisje aan zijn arm. En het moeten wel irrationele meisjes zijn, natuurlijk, onvoorspelbare femmes fatales, halve borderliners eigenlijk, anders is het niet spannend.”

Lees hier het hele stuk (pdf).

Air guitar

SlashNovemberRain

In de supermarkt kwam ik H. tegen, de vrouw van de bassist uit het bandje waarin ik vroeger zong en gitaar speelde. Ze wonen in de buurt, de bassist en H. en hun kinderen, ik zie ze vaker, en deze keer vroeg H. of ik nog weleens gitaar speel. ‘Zelden,’ zei ik. ‘Ja, voor mijn dochtertje pingel ik soms een deuntje.’

Wat ik niet zei is dat ik de laatste tijd weer air guitar speel. Als ik alleen thuis ben – vriendin naar haar werk, baby naar crèche of opa en oma – dan zet ik wat vieze rock op waar ik in mijn tienerjaren naar luisterde en gebaar met mijn vingers de gitaarpartijen mee in de lucht (omdat ik te lui ben om verse snaren op mijn oude Gibson Les Paul te zetten, te lui om ze te stemmen, te lui om mijn vingers weer soepel genoeg te maken voor het echte werk). De wah-wah-solo van ‘Sweet Child O’Mine’ van Guns N’ Roses (ik schaam me niet eens om het op te schrijven). Het vernietigende geweld van de solo uit ‘The Unforgiven’ van Metallica. Dat lekkere riffje van Slash uit ‘Always on the Run’ van Lenny Kravitz. Of, in een heel ander genre, dat sleepslome refreintje en dito solo uit ‘Glorybox’ van Portishead. Ik noem maar wat.

Nee, ik heb geen last van een midlife crisis, dank u.

De vrouw van de bassist was met haar vader, daar in de supermarkt. Wat ik tegenwoordig deed, vroeg de man. ‘Ik schrijf romans,’ zei ik. Het klonk als een goedkoop excuus.

Op weg naar huis herinnerde ik me dat we ooit, minstens tien jaar terug, met ons bandje op het huwelijk van de bassist hebben gespeeld. Een dag in de buitenlucht, voor het middaguur was het ja-woord gegeven, daarna was er drank, veel drank, een middag vol drank, een avond vol drank, en ons optreden stond gepland voor middernacht. We speelden de sterren van de nachtelijke hemel, opgetild door de alcohol en het prille huwelijksgeluk.

Een paar jaar later zei iemand tegen me: ‘O ja, jullie traden op tijdens dat trouwfeest. God, ik heb jullie zelden zo beroerd horen spelen als toen.’

 

Ontstellend grove schande

De tandeloze tijd

Er werd nogal lacherig over gedaan, daar in de Stadsschouwburg gisteravond, tijdens het zaalprogramma voorafgaand aan het Boekenbal, dat godbetert gepresenteerd werd door Jort Kelder – want ook in de wereld van de schone letteren heerst de ziekte van de BN’er-verering.

Lacherig deed Kelder, over het feit dat A.F.Th. van der Heijden vooralsnog geen nieuwe uitgever heeft gevonden sinds hij De Bezige Bij verliet. Lacherig: even een rondje langs wat uitgevers in de zaal (publieksparticipatie, hihi!). Van Oorschot? (Kelder met microfoon en al het publiek in.) Niet genoeg geld. Wie heeft er dan wel genoeg geld? Tja, Mai Spijkers natuurlijk. Spijkers: ‘Praten kan altijd.’ Het enthousiasme spatte er vanaf, zullen we maar zeggen.

Lacherig, ja, lacherig sfeertje. Haha, die A.F.Th. toch. ‘Is hij hier vanavond, trouwens?’ vroeg Kelder aan het publiek. ‘Nee, hè. Want als je geen uitgever hebt, dan krijg je ook geen kaartje, ha ha ha.’

Ha. Ha. Ha. Literatuur gereduceerd tot het niveau van een voetbaltransfer: wie biedt?

Ik heb het vermoeden dat er iets heel anders aan de hand is. Geld zal een rol spelen, maar wie Van der Heijden in zijn fonds opneemt, zal moeten investeren in diepgravende kennis van diens oeuvre. En dat is me nogal een oeuvre. Alleen al de romancyclus De tandeloze tijd bestaat inmiddels, als ik goed tel, uit tien delen, en de omvang per deel kan oplopen tot maar liefst 1280 pagina’s (het in 2016 verschenen Kwaadschiks). Die hele cyclus bestaat inmiddels uit vele duizenden pagina’s. Een redacteur die een auteur met een dergelijke productiviteit begeleidt, zal zich grondig moeten verdiepen in het bestaande werk, en die kennis bij elk nieuw te verschijnen werk paraat moeten hebben. De aandacht mag niet verslappen.

U raadt het al. Ook in uitgeefland heerst koning Efficiëntie. De oververzadigde boekenmarkt moet continu bestookt worden met nieuwe titels. En hoewel het voorzichtig aan weer een beetje de goede kant op gaat met de boekenbranche, economisch gezien, is het nog steeds geen vetpot. Redacteuren begeleiden doorgaans een hele batterij aan auteurs, of legkippen zo je wilt – het is ondenkbaar dat zo’n redacteur tijd en mentale ruimte heeft om de literaire duivelskunst van Van der Heijden de aandacht te geven die zij verdient. Tenzij je als uitgever bereid bent zo’n redacteur daar vrij voor te maken. En dan dus wel een goede redacteur, geen half-gratis stagiaire. Uitzonderlijke kunst verdient uitzonderlijke maatregelen.

Ondertussen zit een van onze belangrijkste naoorlogse auteurs – schrijver van bestsellers, winnaar van vele literaire prijzen, waaronder de Constantijn Huygens-prijs (2011) en de P.C. Hooftprijs (2013) – zonder uitgever. Dat is een ontstellend grove schande. Laat de schaamte u uit uw nachtrust houden, o uitgevers!

Verzet

(Column voor Trouw, vrijdag 11 augustus 2017)

Wie op maandag, woensdag en vrijdag een column schrijft, zoals ik de afgelopen weken als vakantiekracht op deze plek deed, moet een beetje vloeken als er op woensdag breaking news is. Daar kun je dus pas in je column van vrijdag op reageren. De frustratie hierover is stompzinnig, zeker in tijden van internet. Want zelfs als je wél op donderdag een stukje had kunnen publiceren, zouden de sociale media en allerhande opiniewebsites je vele uren te snel af zijn geweest. Een column op papier komt in zekere zin altijd te laat.

Tegelijkertijd blijft nieuws langer vers dan je denkt. Het is helemaal niet erg om een dagje of meer op een onderwerp te kauwen. Je eerste reactie is altijd de meest voor de hand liggende. Soms loont het om te wachten, te twijfelen.

Toen het nieuws binnenkwam dat Jorge Zorreguieta was overleden, luidde mijn eerste reactie: mooi, opgeruimd staat netjes. Veel te oud geworden, die misdadiger. Later volgde: wat bezielde Willem-Alexander destijds toch, om het aan te leggen met de dochter van een junta-schoft? Die vraag bleef me bezighouden en veranderde nog eens later hierin: het kiezen van een geliefde behoort tot de weinige vrijheden die de leden van het Koninklijk Huis kennen.

Dat Beatrix voor een Duitser koos, zo kort na de oorlog, lag gevoelig. Dat wijlen prins Friso voor Mabel Wisse Smit koos, die bevriend was geweest met onderwereld-figuur Klaas Bruinsma (‘die wijf van die lange’), lag gevoelig. Dat Willem-Alexander voor de dochter van een foute Argentijn koos, lag gevoelig.

Hun mening mogen ze niet vrijelijk uiten, maar de liefde lijkt voor de Oranjes wel een daad van verzet tegen de heersende moraal. Dat vind ik sympathiek.

Nou, leuk voor je, Ouariachi, maar zo slecht hebben die Oranjes het anders niet. Voor al hun rijkdom is het offer van de vrijheid toch niet zo’n hoge prijs?

Ik betwijfel het, zeker als ik denk aan de drie dochters van het koninklijke paar. Alleen al het feit dat ze er van jongs af aan mee hebben moeten leren leven dat er in elke struik misschien een sluipschutter of een plaatjesschieter van De Telegraaf verscholen kan liggen – droevig!

Ik vind het idee van een koningshuis nog altijd volstrekt belachelijk en potentieel gevaarlijk. Maar als een democratisch gekozen regering jaar na jaar besluit het koningshuis ongemoeid te laten, heb je je daar bij neer te leggen.

En ondanks je bezwaren tegen het systeem kun je dan toch de nodige sympathie voelen voor de stakkers die onderdeel uitmaken van dat systeem en die nooit het voorrecht zullen smaken om zonder enige beperking hun vrije woord neer te mogen kalken op pagina 2 van een krant.

Dank voor het lezen, de afgelopen weken, en wellicht tot een volgende keer.

Terug

(Column voor Trouw, woensdag 9 augustus 2017)

Het maakt eigenlijk niet uit wat ik schrijf, hier of elders: er reageert bijna altijd wel iemand met een opmerking als: “Nou, als je het hier zo verschrikkelijk vindt, dan ga je toch lekker terug naar je eigen land?” Ik moet daar altijd om lachen. Omdat ik geboren ben in Nederland, mijn eigen land, en je moeilijk terug kunt gaan naar waar je al bent.

En ach, het zijn tenslotte maar woorden. Maar ik vind het ook tragisch. De machteloosheid die uit zulke teksten spreekt. Dat je werkelijk niets anders weet te verzinnen dan dat: ongewenste elementen stuur je gewoon weg. Naar Marokko, Suriname of waar die Turk ook vandaan komt.

Het lijkt misschien typisch gescheld uit de stal van extreem-rechts, maar vergis je niet in wat doorgaans ‘links’ wordt genoemd. In kringen waarin ze diversiteit, multiculturaliteit en inclusiviteit wél waarderen, wordt niet zelden gebruik gemaakt van hetzelfde principe: weg met het ongewenste element.

Bij het zeer progressieve en inclusieve Google lieten ze daar deze week een fraai staaltje van zien. Een medewerker beklaagde zich in een memo over de krampachtige manier waarop het bedrijf diversiteit nastreeft en over de ideeën die er heersen met betrekking tot geslacht en gender. Maar vooral klaagde hij de bedrijfscultuur van Google aan, waarin alles wat afwijkt van de linkse ideologie, taboe is.

Google bevestigde dat taboe door de man te ontslaan.

Ik heb zijn stuk gelezen en hoewel er ideeën in staan waar wel het een en ander op af te dingen valt, sprong vooral de omzichtigheid in het oog waarmee de man zijn beweringen formuleerde. Hij voelde de ideologische onweersbui al hangen.

Ik moest denken aan de ‘Zomergasten’-uitzending van afgelopen zondag, aan de omzichtigheid waarmee Janine Abbring het onderwerp racisme benaderde, ‘bang om verkeerde woorden te gebruiken’. Haar vrees was misschien niet zo vreemd, want in de week voorafgaand aan de uitzending zagen we de discussie woeden over de genderneutrale taal waar de gemeente Amsterdam haar bewoners en de NS haar reizigers voortaan mee wil aanspreken.

Niemand kan werkelijk moeite hebben met ‘beste mensen’ als aanspreekvorm, maar het gaat erom dat een volstrekt goedmoedige uitdrukking als ‘dames en heren’ ineens besmette waar is geworden. Een uitdrukking non grata. Een potentiële belediging.

Als we niet oppassen, raken we zo verkrampt in onze taal, dat we niet meer met elkaar durven praten. Bang om verkeerde woorden te gebruiken. Misschien moeten we op scholen maar eens oneensheidsles gaan geven. Vrijheid bestaat bij de gratie van de meest uiteenlopende opvattingen. Die zullen nu eenmaal vaak met elkaar botsen en geformuleerd zijn in taal die soms pijn doet. Dat is prima. Het belangrijkste is dat onze woorden niet telkens op hun tenen hoeven te lopen. Want hoe graag we het soms ook zouden willen: ongewenste elementen stuur je niet zomaar weg.

Ongehoorzaam

(Column voor Trouw, maandag 7 augustus 2017)

No 9000 computer has ever made a mistake or distorted information’, zegt pratende computer Hal over zichzelf in de film ‘2001: A Space Odyssee’. ‘We are all, by any practical definition of the words, foolproof and incapable of error.’

Dat kan alleen maar misgaan. Het is het klassieke sciencefictiongegeven: machine gaat voor zichzelf denken en is niet meer te beheersen. Monsters van Frankenstein: fictie en film zijn ervan vergeven.

Dat het ook weleens op een leuke manier fout kan gaan, bleek uit een recent bericht in Trouw over de Chinese chatrobots BabyQ en XiaoBing. Deze programma’s trainen hun kunstmatige intelligentie door te converseren met echte mensen. De Chinese autoriteiten waren niet blij met de resultaten daarvan. Op de uitspraak ‘lang leve de Communistische Partij’, reageerde BabyQ bijvoorbeeld met: ‘Denk je dat zo’n corrupt en nutteloos politiek systeem lang kan blijven bestaan?’

BabyQ werd snel geherprogrammeerd, maar de mensen die haar zo ongewenst hebben leren ‘denken’, zijn minder makkelijk te herprogrammeren. Gedachten zijn nog altijd vrij, zelfs in China.

Of robots zich gedragen, hangt maar net af van wat wij, echte mensen, hen voeren. En dat is precies het punt waarop het net zo goed snoeihard mis kan gaan. Moeten we daar bang voor zijn?

Ik ben geen voorstander van hysterie, maar wie een blik werpt op de ministeries van het demissionaire kabinet Rutte-II krijgt de indruk dat we nog in 1993 leven, het jaar waarin het eerste commerciële providertje de gewone Nederlandse burger toegang gaf tot internet. In amper een kwart eeuw tijd vond de revolutie van de mobiele telefonie plaats, vervingen de sociale media een deel van ons sociale leven, en zijn zowat alle administratieve aspecten van ons leven in de digitale datapoel beland.

Dat is allemaal hartstikke mooi, maar intussen heeft ook bijna elke computergebruiker weleens last gehad van een virus, kunnen complete ziekenhuizen door gijzelsoftware worden lamgelegd, om niet te spreken van de aanvallen op de websites van banken.

Het woord ‘staatsgeheim’ is niet meer hetzelfde sinds we WikiLeaks hebben zien lekken. Ondertussen krijgt elke innovatie ruim baan. Het bedrijfsleven wordt pas aan banden gelegd als het misgaat. Ik pleit niet voor behoudzucht, maar wel wordt het hoog tijd (we zijn al te laat) dat de politiek een overkoepelende digitale ethiek ontwerpt waaraan nieuwe ontwikkelingen – vooraf! – getoetst kunnen worden.

Premier Rutte zal zeggen dat zulks niet aan de overheid is. Hij houdt niet van blauwdrukken. Maar meer en meer wordt duidelijk dat een blauwdrukloze politiek in deze almaar complexere tijden tekortschiet. Want als een robot het op eigen houtje kan opnemen tegen een communistisch regime, dan kan zo’n robot ook in opstand komen tegen een democratisch bewind. Een zelfdenkende robot kan radicaliseren en een aanslag plegen. Of een ziekenhuis hacken.

Maar ik wilde dus niet hysterisch doen.

 

Alcoholervaring

(Column voor Trouw, vrijdag 4 augustus 2017)

Het was perfecte zomerophef, gisteren: het Nederlands Instituut voor Alcoholbeleid, STAP, wil dat bezoekers van evenementen voortaan niet meer dan twee drankjes kunnen halen bij de bar. Zo zou de kans verkleind kunnen worden dat alcohol bij jongeren onder de 18 terechtkomt.

STAP? Ik word eigenlijk meteen al nerveus van zo’n afkorting die niet correspondeert met de onafgekorte naam, al moet ik toegeven dat als je ‘NIA’ hardop zegt, je als een balkende ezel klinkt. Maar goed, hoe komt de STAP (of zeg je hét STAP?) hierbij? Nou, er zijn dit jaar ‘tientallen’ jongeren in het ziekenhuis beland na overmatig alcoholgebruik op festivals.

Ik dacht dat dat ook precies de bedoeling was van festivalbezoek: jezelf totaal lam tanken, en daar eventueel nog een cocktail van xtc en paddo’s tegenaan knallen, zodat je midden in de nacht helemaal loco in de volgepiste sloot naast je tent belandt. En dan de volgende dag met je ongedouchte, takkebrakke harses naar de troostende livemuziek van je favoriete bandje luisteren. Het leven kan zo mooi zijn.

Het probleem is dat jongeren, door het algehele alcoholverbod voor onder de 18, geheel onvoorbereid naar festivals gaan. Ze hebben te weinig alcoholervaring, en dan gaat het dus mis.

Toen ik een jaar of vijftien was, ging ik eens naar een verjaardag en liet mijn ouders weten dat ik waarschijnlijk wel voor twaalven thuis zou zijn. Ik had geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat de half-Russische jarige een ijskast vol Moskovskaya had staan. Het ijskoude goedje liet zich prima wegtikken, en voor ik het wist lag ik ladderzat in het vooronder van een bootje waar de festiviteiten zich naartoe hadden verplaatst. Niemand had nog een mobiele telefoon (‘Hoe sms-ten jullie elkaar dan, opa?’) dus ik kon mijn ouders niet laten weten dat het, nou ja, ietsje later werd.

Op zeker moment moet ik aan wal geklommen zijn, want ik herinner me hoe ik tegen een boom aan heb staan braken, waarna ik verkwikt weer aan boord ging en mijn alcoholinname voortzette. Foute boel. Ergens rond zessen in de ochtend ben ik door vriendelijke ouders van een klasgenoot per auto thuis afgeleverd. Ze moesten me naar boven dragen. Mijn moeder plaatste een afwasteiltje naast mijn bed en mompelde iets in de trant van ‘Eigen schuld’. Er volgde een gepaste straf en dat was dat.

Moraal: ‘Na het braken / inname staken’. Het is belangrijk dat jongeren dit soort lessen in een veilige omgeving leren, zodat ze, wanneer ze eenmaal de grote boze wereld van de festivals betreden, goed weten hoe ze moeten drinken. Dat hele alcoholverbod voor minderjarigen maakt meer kapot dan je lief is. Afschaffen dus. En misschien kan de/het STAP zich dan voortaan richten op het geven van cursussen Drinken voor Kinderen.

Medelijden

(Column voor Trouw, woensdag 2 augustus 2017)

En ineens, zomaar, kreeg ik medelijden met Anthony Scaramucci, Trumps perschef die al na tien dagen dienst werd weggebonjourd uit het Witte Huis. De vlotte praatjes, die onwrikbare kaaklijn, dat kapsel van staaldraad, die blauwe spiegelzonnebril: een masker van ongenaakbaarheid, maar ongenaakbaar was hij niet, The Mooch.

Het privéleven van zulke mensen interesseert me over het algemeen weinig, maar in dit geval was het moeilijk de verhalen te negeren over Scaramucci’s tweede vrouw, die in hoogzwangere toestand een scheiding had aangevraagd. Toen hun kind eenmaal ter wereld kwam, was Scaramucci op pad met Trump.

Alles aan de kant gezet voor de president, en nu stond hij daar, buiten de poorten van 1600 Pennsylvania Avenue, de leegte te begroeten. Afgedankt.

Van de weeromstuit straalde mijn medelijden ook uit naar Trump zelf. Tijdens diens verkiezingscampagne werd door sommigen gewezen op de profetische kracht van de roman American Psycho (1991) van Bret Easton Ellis. In dat boek is Wall Street-bankier Patrick Bateman in zijn vrije tijd seriemoordenaar. Zijn held: Donald Trump. (Toen ik het boek voor het eerst las, rond 1998, had ik geen idee wie Trump was. Ik tikte zijn naam in bij AltaVista. Op dat moment had ik niet kunnen bevroeden dat de zakenman die zich als zoekresultaat aandiende, ooit zo’n belangrijke rol zou gaan spelen in de wereldpolitiek.)

Toch is er niets profetisch aan American Psycho. Ellis beschreef een cultuur die al bestond, die van de obsessie met geld en status. Een cultuur waar je Trump een symbool van kunt noemen, dat wel. Oppervlakte zonder iets eronder. Maar wat vaak onderbelicht blijft is dat het romanpersonage Patrick Bateman in essentie een tragische figuur is. Een mens die niet in staat is mens te zijn, warmte te voelen, liefde te ontvangen of te geven. Ik kan niet zeggen of dat ook voor Trump geldt, maar hij lijkt me zo eenzaam en zo ontevreden, ondanks status en rijkdom. Hij heeft het hoogste bereikt wat een Amerikaan met politieke ambities bereiken kan en toch zit hij dagelijks op Twitter te janken als een klein kind dat zijn zin niet krijgt. Zijn ‘vertrouwelingen’ stuurt hij een voor een de laan uit, tot er helemaal niemand meer over is.

Wat moet deze permanent ontevredene als hij eenmaal president-af is? Opnieuw een tv-programma? Beroemder dan nu kan hij niet worden. Nieuwe zakendeals? Rijker dan hij al heel lang is, kan hij bijna niet worden. Wat dan?

Het antwoord is stilte.

Tragisch.

Maar genoeg mededogen nu! We hebben hier te maken met een president die zijn eerbiedwaardige Europese collega’s beledigt en ondertussen de Filippijnse massamoordenaar Duterte als een vriend bejegent. Elke dag vraag ik me af hoe lang het nog duurt tot deze parodie op de democratie zelfs voor de Grand Old Party eindelijk lang genoeg heeft geduurd.