Beeldtaal

Nicolas Cage in Adaptation
Nicolas Cage in Adaptation

‘Al Pacino gaat samen met regisseur Barry Levinson werken aan de filmbewerking van een boek van Philip Roth, The Humbling.’

Zo luidt het nieuwsberichtje. De correcte interpretatie is vermoedelijk: Al Pacino gaat de rol vertolken van de acteur Simon Axler, die er op een kwade dag achter komt zijn talent kwijt te zijn (Openingszin: ‘He’d lost his magic’). Zo’n rol is Pacino op het lijf geschreven: als er iemand is die de worsteling met het vak van acteur kan laten zien, is hij het wel, getuige bijvoorbeeld het fascinerende Looking for Richard, een door Pacino zelf geregisseerde documentaire waarin hij op zoek gaat naar een manier om vat te krijgen op Shakespeares Richard III.

Regisseur Levinson is de man van Wag the Dog, Bugsy, Rain Man en Good Morning, Vietnam. Niet bepaald een subtiel type dus, al moet ik toegeven zijn latere werk niet te kennen. (De samenvattingen van Man of the Year en What Just Happened doen het ergste vrezen…)

Het pessimisme wordt gevoed door eerdere Roth-verfilmingen, zoals Elegy (naar The Dying Animal – prachtige titel, waarom moest die veranderd worden voor de film?) en The Human Stain. Laatstgenoemde werd vooral verpest door de onuitstaanbaar overacterende Nicole Kidman. Ook de verteller van het verhaal, Nathan Zuckerman – in het boek een bejaarde schrijver die worstelt met zijn lekkende onderstel wegens verwijderde prostaat – is in de film om onverklaarbare redenen een fris ogende maar karakterloze kerel van in de veertig. Nu ja, onverklaarbaar, het zal wel met Hollywoods smetvrees voor hoge leeftijd te maken hebben. Eén bejaarde per film is eigenlijk al teveel.

Een oude vuistregel in filmland luidt: goede boeken leiden tot slechte films, matige boeken kunnen grootse films opleveren. Bewijs in overvloed. Wegwerpromannetjes als The Birds, The Godfather en Jaws leverden monumentale films op. Uitzonderingen zijn er alleen om de regel te bevestigen (Atonement, No Country for Old Men).

Wat is toch het probleem bij boekverfilmingen? Een visieloos regisseur is vaak het ergste euvel. Dat je bij een verfilming literaire kwaliteiten als stijl en de binnenwereld van een personage kwijtraakt, ligt voor de hand. De mindere goden beperken zich dan vaak ook tot de ‘zichtbare’ feiten in een boek. Dat levert holle films op. Of nog erger: films met een voice-over…

Een goede regisseur werkt met een eigen beeldtaal en vervangt aldus de stijl van de schrijver door die van zichzelf. Daarom zijn boekverfilmingen door bijvoorbeeld de Coen Brothers wél geslaagd. Daarom is de volslagen krankzinnige boekverkrachting Adaptation van Spike Jonze en Charlie Kaufman zo geniaal. Daarom zijn er meer mensen die bij A Clockwork Orange aan de film van Kubrick denken dan aan de (overigens tóch betere!) roman van Anthony Burgess. Denk aan het volstrekt eigenzinnige Apocalypse now van Francis Ford Coppola, dat zich als zelfstandig kunstwerk uitstekend kan meten met Joseph Conrads roman Heart of Darkness, waar de film op gebaseerd is. Of neem Passolini’s verfilmingen van klassiekers als De 120 dagen van Sodom, Duizend-en-één-Nacht, de Decamerone en The Canterbury Tales: stuk voor stuk meesterwerken die volledig onafhankelijk van het bronmateriaal bestaansrecht hebben.

Nu ja, het kán dus wel. En daardoor blijf je toch weer hopen op het beste.

(Wie nog mooie voorbeelden van geslaagde boekverfilmingen heeft: aanvullingen zijn welkom op jamalouariachi[at]gmail.com)

 

De Standaard: ‘Ouariachi houdt je in de ban’, 4 sterren

Het boekenkatern van de Vlaamse krant De Standaard bespreekt onder de noemer ‘De hotste Hollanders van de herfst’ de drie beste titels uit de ‘zee aan recente Nederlandse debuten’. Eén van de drie is De Vernietiging van Prosper Morèl: ‘Jamal Ouariachi’s enthousiasmerende, uitstekend geschreven debuut gaat over datgene wat de titel al belooft: vernietiging, van de positieve en de negatieve kant bekeken’, ‘[Ouariachi is] een begenadigd verteller, die je moeiteloos haast 500 bladzijden in de ban houdt’, ‘de laatste honderd bladzijden zijn een aanslag op je nagels’. Recensent Mark Cloostermans deelt vier sterren uit.

De volledige recensie is hier te lezen.

Trouw: ‘Ouariachi maakt de worsteling van zijn hoofdpersoon pas werkelijk voelbaar’

Nels Fahner prijst in dagblad Trouw de “verrassend goede debuutromans” van Peter Buwalda (Bonita Avenue) en Jamal Ouariachi (De Vernietiging van Prosper Morèl).
Over De Vernietiging: “Het knappe aan de roman is de dubbelhartigheid die uit de schets van de hoofdpersoon naar voren komt. Enerzijds wil Morèl niet ironisch zijn, anderzijds is hij een wandelende parodie op échte schilders als Vincent van Gogh. Soms beseft hij dat ook. ,,Je speelt toneel, Morèl, je verloochent jezelf, dit is escapisme van het goedkoopste soort.” Als lezer word je heen en weer geslingerd tussen sympathie voor de levensvreugde die Morèl heeft gevonden en afkeer van het leugenachtige cliché waarin hij leeft. Knap, dat een schrijver een dergelijke verscheurdheid teweeg weet te brengen.”

Laveren tussen sympathie en afkeer

Nels Fahner − 30/10/10, 00:00

Twee ambitieuze schrijvers debuteerden elk met vuistdikke romans. Peter Buwalda heeft een mooie stijl, maar Jamal Ouariachi maakt de worsteling van zijn hoofdpersoon pas werkelijk voelbaar.

Al meteen op de eerste pagina’s van ’Bonita Avenue’, de debuutroman van Peter Buwalda, word je overrompeld door diens stijl. Buwalda vertelt zijn verhaal, dat grotendeels in Enschede speelt, in lange, bedachtzame zinnen, met beelden die je een bijna fysieke leeservaring bezorgen. „Siem Sigerius was een gedrongen, donkerbehaarde kerel met een stel oren waarnaar je meteen moest kijken; ze waren kroppig, ze leken gefrituurd, en omdat Aaron gejudood had wist hij dat het bloemkooloren waren.”

Rondom Siem Sigerius, rector van de Twentse Tubantia University, ontvouwt zich een familiedrama. Als stiefdochter Joni Sigerius al een tijdje een relatie heeft met de jonge fotograaf Aaron Bever, begint Siem te vermoeden dat de twee iets uitspoken dat niet door de beugel kan. De rector, die altijd heeft gestreefd naar het hoogste en genoemd wordt als toekomstige minister van onderwijs, vreest voor zijn reputatie. „Hoe erg is dit? (…) Hoe erg is een dochter die zich prostitueert? () En is het wel prostitutie?”

Buwalda’s observatievermogen en zijn vaardigheid in het beschrijven van explosieve personages zorgen voor spanning in het verhaal. Bovendien pendelt hij vaardig tussen minstens drie perioden: hij begint in het jaar 2007, als het gezin al uiteengevallen is en Aaron en Joni terugkijken, dan komen we langzaam iets te weten over de tijd rond 2000, en wat daaraan voorafging.

Maar hoewel Buwalda imponeert met zijn stijl en met de manier waarop hij spanning opbouwt, houd je aan het eind het gevoel dat er méér in had gezeten. Dat Siem zich de wandaden van zijn stiefdochter Joni zozeer aantrekt dat hij tot een fatale daad overgaat, komt allemaal tamelijk abrupt over. „Als je het dan echt zo zwaar hebt gehad, papa, () waarom ben je dan gódverdomme geen verhaal komen halen?”, vraagt Joni zich af. Dat is precies de vraag waarmee de lezer blijft zitten. Daarmee is deze zo bedachtzaam vormgegeven debuutroman toch wat slordig afgehecht.

’De vernietiging van Prosper Morèl’, het debuut van Jamal Ouariachi, mag minder opvallend gestileerd zijn, de roman biedt wél de reflectie waarop je bij Buwalda zit te wachten. Ouariachi’s boek gaat over een nieuw bouwwerk aan het IJ in Amsterdam, ontworpen door de beroemde Nederlandse architect Remco Haak: „Het begon met een robuuste piramide die omhoogstak uit het water van wat het Oosterdok heette. Op zo’n dertig meter hoogte werd de piramide onderbroken door een weidse, enigszins holle schijf (). Daarboven zetten de piramidelijnen zich, veel steiler nu, voort in een taps toelopende, ranke toren.” Het gebouw van Haak staat voor het ideaal van de zelfbeschikking: de droom van de westerse mens om het leven eigenhandig vorm te geven, als een vlekkeloos kunstwerk.

Hoofdpersoon Prosper Morèl realiseert zich op een dag dat hij zijn burgerlijke leventje als psycholoog en echtgenoot altijd als een grap heeft gezien, dat hij het niet meende. Hij blaast zijn bestaan op en vertrekt naar Frankrijk, om te schilderen. „Hij wilde niet meer ironisch zijn. Hij zou de stemmen niet meer aanhoren die hem vanuit zijn oude leven toespraken met hun cynische opmerkingen over ’plattelandsromantiek’ en ’Bouquetreekstaferelen’ en ’clichématig quasikunstzinnig bohemiengedrag’ (…).”

Het knappe aan de roman is de dubbelhartigheid die uit de schets van de hoofdpersoon naar voren komt. Enerzijds wil Morèl niet ironisch zijn, anderzijds is hij een wandelende parodie op échte schilders als Vincent van Gogh. Soms beseft hij dat ook. „Je speelt toneel, Morèl, je verloochent jezelf, dit is escapisme van het goedkoopste soort.” Als lezer word je heen en weer geslingerd tussen sympathie voor de levensvreugde die Morél heeft gevonden en afkeer van het leugenachtige cliché waarin hij leeft.

Knap, dat een schrijver een dergelijke verscheurdheid teweeg weet te brengen.

 

Het Parool: ‘ambitieus en rijk boek’, 4 sterren

Jasper Henderson van Het Parool recenseerde De vernietiging van Prosper Morèl: ‘Ouariachi blijkt telkens de touwtjes stevig in handen te hebben’ … ‘een waardige leerling van W.F. Hermans’ … ‘een ambitieus en rijk boek, dat ongetwijfeld hoge ogen zal gooien als het om de diverse (debutanten)prijzen gaat’.
Lees hieronder de volledige recensie.

Spel met verwachtingen van de lezer
Jamal Ouariachi: De vernietiging van Prosper Morèl. Querido, €19,95.
**** (4/5)

Het is een klassiek gegeven: een man ontvangt uit de nalatenschap van een jeugdvriendin een stapel dozen met daarin dagboeken en aantekeningen voor romans. Na enige aarzeling besluit hij de schriften te lezen, wat het begin markeert van een heuse helletocht. Zo verteld heeft het verhaal weinig om het lijf, maar daarmee zou je De vernietiging van Prosper Morèl, Jamal Ouariachi’s vuistdikke debuutroman, ernstig tekortdoen.

Prosper Morèl is een keurige psychiater in Amsterdam-Zuid, getrouwd met een lieve vrouw en in het bezit van een boezemvriend, de wereldberoemde architect Remco Haak, in wie we de illustere Rem Koolhaas herkennen, dromer van schitterende gebouwen, die echter niet uitblinken in functionaliteit.

Ooit leefden ze samen met een jonge schrijfster in spe, Chris Altena. Ze leefden voor de kunst, zouden de burgermaatschappij iets verschrikkelijks laten zien. Na enkele jaren ploeteren vinden Remco en Prosper dat het tijd is afscheid te nemen van hun kunstenaarsdromen. Chris beticht hen van hoogverraad, terwijl Prosper juist beweert de ultieme aanval op het burgerdom in te zetten door het van binnenuit uit te hollen. Het is allemaal ironie.

Als Prosper de dozen vol schriften ontvangt, is hij die ironie allang vergeten en is hij ingedut op de deiningen van een comfortabel bestaan. De rust is echter snel voorbij en Prosper wordt met een dreun teruggeworpen in het verleden. Beginnen de dagboeken nog met verslagen van hun gezamenlijke leven in het kraakpand, al snel monden ze uit in een traktaat over zelfmoord als enige juiste beëindiging van het leven, als het ultieme kunstwerk: het laatste testament – al is ‘de stof’ van het essay soms wat taai, het is knap hoe Ouariachi deze roman in de roman gestalte weet te geven.

Hoeveel weerstand Morèl aanvankelijk ook voelt, gaandeweg raakt hij – net als de lezer – gefascineerd door Chris’ radicale denkbeelden, die hem confronteren met de laffe keuzes die hij maakte. Prosper drijft steeds verder weg van zijn vrouw, de praktijk, zijn zelf geschapen leven in een nevel van sigaretten en alcohol. Als een jonge, mislukte kunstenaar onder zijn invloed een even kolderieke als wanhopige zelfmoordaanslag pleegt op de verkeerstoren van Schiphol, dreigt hij de grip op zijn leven geheel te verliezen.

In deel twee van de roman neemt het verhaal een absurde wending. Remco Haak is erachter gekomen dat zijn megalomane, futuristische toren IJ-Morgana vanwege rekenfouten elk moment kan instorten. Hij is de enige die weet heeft van Morèls ‘betrokkenheid’ bij de zelfmoordaanslag op de verkeerstoren en dwingt hem een legertje junken te rekruteren, die onder zijn leiding de toren moeten opblazen.

De sterk psychologische roman wordt plotseling een thriller, en even lijken deze bizarre verwikkelingen het verhaal uit het lood te slaan, maar Ouariachi blijkt telkens de touwtjes stevig in handen te hebben. Elke ingezette verhaallijn, elke op het eerste gezicht groteske toevalligheid, is afgedekt of wordt op subtiele wijze becommentarieerd door een van de personages.

Zo ook het toch nog onverwachte einde, dat weer een heel ander register lijkt te bespelen, maar naadloos aansluit bij de ver van ironische inzet van dit wonderlijke boek. Prosper heeft zich wel degelijk gehouden aan de opdracht in de titel van de roman zich schaamteloos en zonder ironische ‘commentaarstemmen’ te wijden aan, jawel, de kunst. Net zoals zijn schepper.

Deze debutant weet heel goed wat hij doet; niet voor niets draagt het boek een motto van W.F. Hermans, van wie Ouariachi zich een waardige leerling betoont. Met zichtbaar plezier speelt hij een spel met de verwachtingen van de lezer, verwijst hij naar hartenlust naar de literatuur, film- en schilderkunst en becommentarieert hij en passant de moderne maatschappij met zijn hulpverleners, opportunistische politici, terreurdreigingen en would bekunstenaars. Soms vergaloppeert hij zich in zijn beschrijvingen en vergelijkingen en dreigt het gevaar van mooischrijverij. Het zijn kleine onvolkomenheden in een ambitieus en rijk boek, dat ongetwijfeld hoge ogen zal gooien als het om de diverse (debutanten)prijzen gaat.

JASPER HENDERSON

 

 

 

Roots

Zo, nu de eerste golf interviews naar aanleiding van De Vernietiging van Prosper Morèl achter de rug is, heb ik gelegenheid om de balans op te maken. Eén onderwerp blijkt de dames en heren interviewers telkens weer te intrigeren: mijn Marokkaanse afkomst. Yep, we hebben een unique selling point te pakken, hoor… En weet u: ik vind ze helemaal niet zo vreemd of storend, die vragen. Men wil het onbekende debutantje wat beter leren kennen, dus vertelt u maar, mijnheer Ouariachi, hoe was dat vroeger bij u thuis? Maar toch wringt er iets.

De Amerikaanse A&O-psycholoog Bernardo Ferdman deed in 1989 een interessant onderzoek naar ‘disidentificatie’, het fenomeen waarbij mensen hun verbondenheid met een groep minimaliseren. Op video werd een Hispanic manager van een bedrijf geïnterviewd. In één variant van de video sprak deze man slechts over zijn eigen persoon, zonder zijn etniciteit te vermelden. In een andere variant beschreef hij hoe belangrijk zijn groepsidentiteit was en vermeldde hij dat hij betrokken was bij diverse Hispanic-organisaties. Deelnemers aan het onderzoek die de eerste video zagen, uitten een negatiever oordeel over de man dan deelnemers die de tweede variant bekeken.

Conclusie: wie de eigen (etnische) groep verloochent, hoeft op weinig sympathie te rekenen.

Laat dat nu ook mijn eigen ervaring zijn. Het azijnpissersochtendblad de Volkskrant vond het nodig om mijn roman te laten recenseren door een of andere kuttekop die als correspondente in Marokko werkt. ‘Marokkaanse schrijver – weet je wat: we sturen er een Marokko-kenner op af,’ zullen ze bij de Volkskrant wel gedacht hebben. ‘Etnisch recenseren’, noemde übertwitteraar @ANanninga dit geintje treffend. Het zal voor de ‘recensente’ in kwestie dan ook een stevige teleurstelling zijn geweest dat er in de roman amper een Marokkaan voorkomt. En of het nu teleurstelling was, of het volstrekte onvermogen om een boek te lezen: deze dame vermeldde in haar recensie geen van de belangrijkste verhaalelementen (wolkenkrabber, zelfmoord), maar bracht de complete, 480 pagina’s tellende handeling terug tot één woord: midlife crisis. Laat dat nu net zijn waar Prosper Morèl niet aan lijdt, dat staat zelfs in het boek te lezen, maar Greta Riemersma was blijkbaar zo etnisch verblind, dat ze het boek niet meer kon lezen voor wat het was.

Een ander voorbeeld. Naar aanleiding van een interview met ondergetekende in het radioprogramma Kunststof schreef een reagerende luisteraar: “raar hoor: zodra er iets wordt gevraagd wat raakt aan (half)-Marokkaans zijn ‘kijkt’ Jamal O., de gast, ijlings weg. Dat kun je horen. Daar wil hij gaarne overheen walsen. Terwijl het in dit boek-verband nogal belangrijk is, en trouwens in mensen-verband ook. U hoeft zich er echt niet voor te schamen, beste Jamal!”

Nu heeft mijn boek, zoals gezegd, geen moer met Marokko te maken. En trouwens: is het geen enorme onderschatting van de fantasie van de schrijver, te denken dat hij over niets anders dan zijn eigen kleine wereldje kan schrijven? En overigens ben ik ook nog wel benieuwd naar de bovennatuurlijke gaven waarover deze mevrouw beschikt, waarmee ze kan horen hoe ik kijk, en op basis daarvan mijn verdrongen zieleroerselen kan vaststellen.

Maar los daarvan moet ik vaststellen dat het blijkbaar on-mo-ge-lijk is om te bevatten dat mijn Marokkaanse achtergrond geen rol van betekenis speelt in mijn dagelijks leven, en dat ik toevallig ook nog interesses heb die verder reiken dan de helft van mijn genenpakket.

Weet u wat: laat ik de dames en heren etno-fascisten hun zin gewoon eens geven. Misschien dat ze het dan eens begrijpen. Ja, mensen: Jamal Ouariachi gaat op zoek naar zijn roots!

Hoe pakken we dat aan?

In de Verenigde Staten heb je zwarte Amerikanen die deelnemen aan georganiseerde groepsreisjes naar Afrika om op zoek te gaan naar hun ‘roots’. Nog even los van het feit dat Afrika een krankzinnig groot continent is waar ik-weet-niet-hoeveel verschillende culturen en etniciteiten door elkaar leven – hoezo roots? De slavernij werd in de VS tussen 1862 en 1865 afgeschaft, reken maar uit hoeveel generaties African Americans er sindsdien het levenslicht hebben gezien. De laatste die de slavernij nog heeft meegemaakt, ligt al vele decennia onder de groene zoden.

Hoe belachelijk die reisjes zijn, mag blijken uit het favoriete reisdoel: Ghana. Van daaruit werden veel slaven, ook uit omringende landen, naar de VS verscheept. De kans is dus groot dat die zwarte Amerikanen helemaal niet ‘oorspronkelijk’ uit Ghana afkomstig zijn. Maakt dat ze iets uit? Welnee! Zoals zo vaak gaat de menselijke fantasie vrolijk aan de haal met de realiteit.

Maar laten we voor de grap het voorbeeld van die black brothers eens volgen. Ik probeer mij het volgende voor te stellen: dat ik afreis naar Saudi-Arabië, en daar de stad Mekka bezoek, omdat dáár de wortels van de islam liggen, de islam die zich vanaf de zevende eeuw gestaag heeft uitgebreid over het Arabisch schiereiland en later Noord-Afrika, waar mijn voorouders ermee in aanraking zijn gekomen, en sindsdien onlosmakelijk verbonden zijn met de ‘broederschap’. (Je hoort Marokkanen hier in Nederland soms beweren dat zij in het Midden-Oosten conflict kiezen voor de kant van de Palestijnen, niet om rationele redenen, maar omdat de Palestijnen hun ‘broeders’ zijn, en de joden de vijand. De ironie is dat moslims, door hun gezamenlijke religie op te vatten als een bijna genetisch concept, meer lijken op joden dan ze zelf zouden willen toegeven.)

Terug naar mijn fantasietje. Daar sta ik, in Mekka. Nooit geweest. Spreek de taal niet. Mijn blanke huid verschrompelt onder de bloedhete zon. Weet geen enkel gebed te prevelen. Het ritueel geslachte schaap waar me een gebraden stuk van wordt aangeboden, moet ik als vegetariër beleefd weigeren.

Wat doe ik hier? Ik hoor hier niet. Dit is een farce. Ik wil naar huis.

Laat ik het op een andere manier proberen…

In mijn Marokkaanse familie komen blauwe ogen voor. Zou ’t zo kunnen zijn dat de Berbers die mijn voorvaderen zijn, zich in een grijs verleden hebben vermengd met Europeanen? Misschien tijdens de Moorse overheersing van het Iberisch Schiereiland al? Dan ben ik toch Europeser dan ik mij volgens sommige mensen zou mogen voordoen! Interesseert dat mij? Nee, geen reet. Word ik er een ander mens door als ik over die kennis beschik? Absoluut niet.

Het komt erop neer dat die zogenaamde ‘afkomst’ alleen iets betekent als je dat zelf maar heel graag wil. Want alle pogingen van de psychologie ten spijt om zich te profileren als ‘harde’ wetenschap die mag goochelen met genetica en evolutieleer, blijft het mijn stellige overtuiging dat een belangrijk deel van iemands identiteit bepaald wordt door de dingen die hij meemaakt, en niet alleen in dat beperkte kader van De Jeugd, nee, ook later in het leven.

Maar, waarde Jamal, heb je in je jeugd dan niets meegekregen van die Marokkaanse afkomst? Culturele verschillen tussen je ouders, bijvoorbeeld?

Nog even los van de impertinentie van die vraag – hoezo zou ik de vuile was van mijn gezin-van-herkomst buiten willen hangen? – is het ook een vraag waar ik niets mee kan. Als kind zijn je ouders niet: die Nederlandse en die Marokkaan. Nee, het zijn je moeder en vader.

Maar je verloochent je afkomst!

Lieve mensen, laat ik dan maar naar het botte middel grijpen.

Waarom denkt u dat al die Marokkanen in de jaren zestig en daarna naar Nederland gekomen zijn? Misschien omdat het onderwijs hier beter was, herstel: omdat er hier überhaupt onderwijs was voor iedereen? Misschien omdat je hier voor het uiten van een mening niet in de martelkamers van koning Hassan, de vader van de huidige koning, belandde? Misschien omdat je, als je Nederland binnen wilde komen, niet urenlang in de rij bij de douane hoefde te staan totdat je zo uitgeput was dat je die douanier in godsnaam maar een paar dirham en een pak Douwe Egberts-koffie gaf, zodat hij je – met op een briefje het adres van zijn familie waar je altijd welkom zou zijn! – onmiddellijk zou doorlaten, zoals dat in Marokko te doen gebruikelijk is? Ik noem maar een paar zijpaden… Marokko is (of liever gezegd: was, ik ben er al vele jaren niet geweest*) een verschrikkelijk land. Het is er droog, armoedig, smerig, corrupt, en om het allemaal nog een graadje erger te maken, is de gangbare godsdienst er de islam…

Moet ik mij dáármee verbonden voelen?

Nee, dank u. Ik houd het graag bij een bord cous-cous op z’n tijd, en een kom harira-soep tijdens de ramadan. Bereid door mijn Nederlandse moeder.

Jamal O. schaamt zich niet voor zijn afkomst. Hij weet deze echter op de juiste waarde te schatten, in tegenstelling tot kwezels die zulke magere identiteiten hebben dat ze die moeten ‘verrijken’ met nietszeggende stambomen of krankzinnige religieuze verbintenissen.

Roots… laat me niet lachen!

=

* En ja, ik weet ook wel dat er veel veranderd is sinds 1994, toen ik het land voor het laatst bezocht om afscheid te nemen van mijn stervende grootmoeder. Maar we hadden het over mijn jeugd, weet u nog?

Een beter mens

Op facebook roept een vriendin – of nouja, vriendin, in de wereld van facebook valt zelfs de meest vage kennis die je nooit in levenden lijve hebt ontmoet al onder de term ‘friend’, en inderdaad, deze dame ken ik alleen omdat we dezelfde achternaam hebben en vermoedelijk dezelfde wortels in het Noord-Oosten van Marokko, al is dat een uitgestrekt gebied en is de familie zo groot, dat zelfs mijn eigen oma toen ik het haar ooit vroeg, nauwelijks kon vertellen hoeveel kinderen-kleinkinderen-achterkleinkinderen ze had voortgebracht en volstond met een eenvoudig ‘souqs… souqs…’

Maar goed, die ‘vriendin’ dus, roept op facebook moslims op – ze is namelijk een nogal uitgesproken moslima, sterker nog, ze heeft een tijdlang met haar twee zussen een tv-programma gemaakt waarin het drietal als giechelende nonnetjes het Nederland waar ze nota bene zelf waren opgegroeid, ‘verkenden’ vanuit hun rol van moslima, of wat de bedoeling ook mocht wezen, en sindsdien gaan ze als Bekende Nederlanders door het leven, met als hoogtepunt de tv-uitzending waarin ze hun drammerige interview-technieken tevergeefs loslieten op Hans Teeuwen, die hen vervolgens zo’n verschrikkelijke veeg uit de pan gaf, dat de scène bekroond werd tot tv-moment van het jaar, 2008 geloof ik, maar het kan ook 2007 zijn geweest, ik zal verder geen namen en data noemen.

Enfin, die ‘vriendin’ dus roept op donderdag 21 januari via facebook moslims op om zoveel mogelijk geld bij elkaar te brengen voor Haïti, zodat genoemde ‘vriendin’ ’s avonds, tijdens de speciale tv-uitzending Nederland Helpt Haïti een cheque van liefst één miljoen euro kan laten zien namens De Moslims In Nederland.

Nobel? Mijn eerste gedachte is: hoezo zou je als moslim geld storten? Dat kun je toch ook gewoon als mens doen? Waarom moeten die djellaba’s en hoofddoeken zich nu weer zonodig afzonderen van de rest van de maatschappij, het is toch allemaal al erg genoeg? En wat een superieure zelfingenomenheid klinkt er niet in zo’n oproep door! Wij, moslims, zijn zo nobel dat we wel even een miljoen bij elkaar leggen…

Ik wil al bijna reageren, maar weet me in te houden. Wat heeft het voor zin bij iemand die je toch nauwelijks kent? Bovendien, er wordt al zoveel gereageerd, ben ik nou ook al besmet met dat reaguurdersvirus dat inmiddels epidemische vormen begint aan te nemen?

’s Avonds, omdat ik me niet zo lekker voel en verder toch nergens toe kom, schakel ik in op de live-uitzending Nederland Helpt Haïti, in een van tevoren al van cynische walging doortrokken stemming. Ik ga me eens lekker een avondje ergeren aan al die narcistische vrijgevigheid van mijn landgenoten.

Er weerklinkt een Richard-Kleiderman-achtige pianopartij, en daar staan Guus Meeuwis (kedeng-kedeng) en Jörgen Raymann naast elkaar achter microfoons. Raymann trekt zo’n door en door ernstige kop, dat ik ervan in de lach schiet: komieken die ook eens serieus proberen te doen, het is een meelijwekkend gezicht.

Maar verrek, ze zingen, merk ik nu, wel mooi een nummer van André Hazes, Geef mij nu je angst. Wat zullen we nou krijgen, ik raak toch godverdomme niet ontroerd? Niet nu al?

Het lied is afgelopen en terwijl het applaus nog doorklinkt verschijnen de drie presentatoren in beeld: Linda de Mol is natuurlijk de belichaming van dit soort tv-toestanden, dus haar aanwezigheid mag niet verbazen, en Beau van Erven Dorens laat zich tegenwoordig voor alles wat hem maar wordt aangeboden inhuren, maar: wat doet Jeroen Pauw daar?

Recentelijk nog zag ik een oud interview van Theo van Gogh met Pauw, waarin hij zei: ‘Ik heb het idee dat ik volstrekt niet deug.’ En hij lichtte verder toe: ‘Ik geef nooit wat, bijvoorbeeld. Ik heb nog nooit aan Greenpeace, Amnesty International, ik noem maar wat, iets gegeven.’

En dat staat dan nu prominent televisie-kijkend Nederland op te roepen om geld te geven voor Haïti! Je moet wel heel veel schaamteloos lef hebben om je aan zo’n – o heerlijk, kan ik dat woord eindelijk eens gebruiken – gotspe te bezondigen.

Maar Pauw zei in dat interview met Van Gogh ook: ‘Ik zou willen dat ik een beter mens was.’ Eerlijk is eerlijk. En hij leek het nog te menen ook. Dus misschien zijn we eigenlijk getuige van iets heel moois: Jeroen Pauw die live on tv bezig is een beter mens te worden…

Over betere mensen gesproken: daar ontwaar ik ineens Geert Wilders in het belpanel, broederlijk gezeten naast Mark Rutte en Wouter Bos. Nu is het toch wel even jammer dat die Moslims Met Hun Miljoen maar niet in beeld komen. Maar hoezo zit Wilders daar? Was ontwikkelingshulp volgens hem niet ‘een linkse hobby’, een kwestie van ‘miljarden’ die in een ‘bodemloze put’ gestort werden? Nee, hier wil geen enkele verzachtende omstandigheid in mij opkomen, dit is een onvergeeflijke campagnestunt, een zeldzaam staaltje extreme hypocrisie.

Zo kijk ik verder, voortdurend wankelend tussen chagrijnig cynisme en een bestraffende vorm van vergoeilijking: wat loop je nou te kankeren, Ouariachi, jij was toch links, jij was toch voor solidariteit? Ja, maar ja, als ik dan Balkenende hoor zeggen dat we ‘met z’n allen solidair moeten zijn’, dan… Nou en? Als Balkenende’s verschijning mensen over de streep kan trekken om een tientje over te maken zodat er straks iemand te vreten en te zuipen heeft daar in Haïti, dan wordt het Balkenende-middel toch geheiligd door het goede Haïti-doel? En als een meid van Halal een paar moslims die misschien niets van plan waren te geven, toch weet over te halen om geld te storten, wat kan jou het dan schelen dat ze dat als moslim doen? En als de talloze PVV-stemmers een keertje inzien dat ontwikkelingshulp niet alleen maar ‘pappen en nathouden van onze belastingcenten’ is, maar dat zelfs hun rechtlijnige leider een zacht kantje heeft, dan is dat toch mooi meegenomen?

Voordat mijn cynische cipier mijn twijfels terug in hun cel dwingt, maak ik een bedragje over op giro 555. Net op tijd, want als ongeveer een uur later het eindbedrag bekend is gemaakt en de aftiteling begint, zie ik met tevreden walging hoe minister Koenders net iets te gretig zijn hand om Linda de Mols middel kromt, haar vervolgens naar zich toetrekt, en voor het oog van de camera’s voor de tweede keer in twee minuten drie ongetwijfeld net iets te lang durende, en net iets te dicht bij de mond geplaatste zoenen geeft.

Het valt niet mee om een beter mens te worden…