Jaar 1 (#18)

Dinsdag 18 april 2017
Af en toe kijkt ze me lang en indringend aan. Het is zo’n babyblik waarvan de mensen zeggen: wat zou er in dat koppie omgaan? (We zeggen dat ook wel eens van dieren.) Je kunt duizend boeken lezen over hoe baby’s functioneren, maar op die vraag komt nooit een antwoord. Tegen de tijd dat we het aan J zouden kunnen vragen, is ze het zelf alweer vergeten. Hoe het is. Om haar te zijn. Als baby.

De filosoof Thomas Nagel publiceerde in 1974 zijn beroemd geworden essay ‘What Is It Like To Be a Bat?’ Hij houdt zich daarin bezig met de lastige kwestie hoe je wetenschappelijke kennis moet vergaren over de subjectieve ervaring: hoe het is om een bepaald wezen te zijn.

Hij gebruikt daarbij het voorbeeld van de vleermuis. Wetenschappers kunnen alle denkbare objectieve data verzamelen over hoe een vleermuis fysiologisch in elkaar zit, functioneert. Vleermuizen ‘zien’ bijvoorbeeld niet, ze nemen de wereld waar via echolocatie: ze zenden hoge geluiden uit en bepalen de vorm van de wereld om hen heen op basis van de terugkerende echo’s. Je zou het kunnen vergelijken met onze zinnen – zicht, reuk, gehoor – maar het is wezenlijk anders.

Dat vleermuizen op die manier waarnemen, kun je wetenschappelijk vaststellen en onderzoeken, maar hoe kunnen wij als mens weten hoe het is voor een vleermuis om zich zo door de wereld te bewegen? Ja, we kunnen onze verbeelding inzetten, we kunnen metaforen gebruiken, we kunnen vergelijkingen trekken: het waarnemen van de vleermuis zal waarschijnlijk heel erg lijken op hoe wij de wereld ‘zien’ of ‘horen’. Maar niet precies zo. Zoals Nagel het stelt: je kunt je voorstellen hoe het voor jou, vanuit je positie als mens, is om een vleermuis te zijn, maar niet hoe het voor de vleermuis is om een vleermuis te zijn.

Je kunt dit uitbreiden van het vleermuizenbewustzijn naar het mensenbewustzijn. Aan de werking van het menselijke zenuwstelsel valt ontstellend veel te ontdekken, maar alle objectieve informatie over de werking van hersencellen en de functie van neurotransmitters en hormonen, zegt niets over hoe het is om mens te zijn, hoe het is om over bewustzijn te beschikken – sterker nog, het zegt eigenlijk niets over wat bewustzijn is. Drieënveertig jaar (!) na Nagels essay zijn de wetenschappelijke onderzoeksmogelijkheden enorm uitgebreid, vooral dankzij de komst van hersenscanners, en dan met name de functionele MRI, waarmee een levend brein in actie geobserveerd kan worden zonder dat er in schedels gezaagd of gesneden hoeft te worden. Maar op het bewustzijnvraagstuk is nog niet het begin van een bevredigend antwoord geformuleerd. Voor zover ik weet. Daar zou mijn onderzoek zich de komende tijd op moeten richten.

Onze baby. Ze heeft nog geen taal – maar heeft ze concepten? Ik kan het niet vragen, net zo min als ik kan vragen of haar pijn, begeleid door huilen, een puur mechanische reactie op een fysieke staat is, of een uiting van daadwerkelijk menselijk lijden. Wanneer wordt een neurale impuls een ervaring?

Net zo min als we kunnen weten hoe het is om een vleermuis te zijn, kunnen we weten hoe het is om een mensenbaby te zijn. We zijn het allemaal geweest, baby, maar we kunnen ons er niks van herinneren. En de mensen die nu baby zijn, kunnen niet over hun ervaring communiceren, omdat ze nog niet kunnen praten. Tegen de tijd dat ze dat wel kunnen, zijn ze vergeten wat ze wilden zeggen.

Mijn dochter, die ik elke dag meemaak, en elke dag beter leer kennen, kan mij niets vertellen over hoe het is om haar te zijn. Ze is een vleermuis voor mij. En dat zal ze voorlopig blijven, tenzij er vanuit wetenschappelijke hoek een manier wordt gevonden om een babybewustzijn ‘uit te lezen’. Ik heb vermoedens en aanwijzingen dat de diverse takken van wetenschap die zich met het bewustzijn bezighouden, zich eindelijk, en steeds meer, in die richting bewegen. Daar wil ik dan ook met mijn eigen onderzoekingen terecht zien te komen, maar daar moet nogal wat voorbereidend werk aan vooraf gaan. We zullen zien, de komende tijd…