Jaar 1 (#3)

Maandag 3 april 2017
We moeten slapen. F vooral, want die is er erger aan toe dan een gemartelde uit de Abu Ghraib-gevangenis. De hele maandag in het ziekenhuis is opgegaan aan kraamvisite, afgewisseld met een niet-aflatende parade van ziekenhuispersoneel dat op elk denkbaar en ongelegen moment onze kamer binnen wenste te komen.

We moeten slapen, maar onze kersverse J wordt juist ’s avonds en vroeg in de nacht onrustig. F ligt aan haar bed gekluisterd vanwege het infuus en vanwege haar verwondingen, het is aan mij om J te verschonen, te voeden, te troosten, of pogingen daartoe te ondernemen – maar nu ze zo huilt op dit nachtelijke uur, raakt mijn trukendoos snel leeg. De wanhoop gaapt. Ze blijft maar huilen. Ergens voorbij middernacht geef ik het op, roep de hulp in van een verpleegster. ‘We weten het niet meer en we zijn doodop.’

De verpleegster bakert haar in met een techniek die ik onmiddellijk vergeet want door het slaapgebrek lijd ik aan geheugenverlies en ik ben hoe dan ook slecht in origami. Ze biedt ook aan om onze dochter even mee te nemen, in haar rijdende wiegje. Dan kunnen zij en haar collega’s een paar uurtjes op haar letten en dan kunnen wij wat slaap inhalen. Het voelt alsof iemand ons de oplossing voor al onze problemen offreert, een aanbod doet dat te mooi is om waar te zijn. We stemmen in.

Ik heb de deur van onze kamer nog niet achter me dichtgetrokken of ik begin te janken. ‘Ik vind dit zo erg,’ jammer ik tegen F. ‘Dat we dit moeten doen. Dat we haar wegsturen.’

Een nacht later gaat het wegsturen probleemloos. We noemen het ‘een paar uurtjes uit logeren bij de nachtzusters’. Pas nu we erom hebben kunnen lachen, halen we echt een beetje slaap in.