Jaar 1 (#1)

Zaterdag 1 april 2017
Een vochtig plopgeluid, alsof een natte kurk vrijkomt uit een rubberen champagnefles. Dat het allerlaatste stukje zo snel zou gaan… Alles tegelijkertijd: glibberend landt ze in mijn opgehouden handen; vanuit mijn linkerooghoek zie ik een verontrustende hoeveelheid bloed wegspuiten van tussen de benen van mijn geliefde F – een sprietsend geluid. Later zal de associatie zich aandienen met films waarin mensen onthoofd worden – Kill Bill – hoe de halsslagader na de scheiding van kop en romp nog een paar keer fel pompt. Als een geiser.

Maar nu sta ik in die verloskamer en weet ik van paniek niet waar mijn aandacht als eerste heen moet: naar het bebloede nieuwe leven in mijn armen, of naar mijn misschien wel dode vriendin, leeft ze nog, o god, leeft ze nog na die bloedfontein? Nog nooit in mijn leven ben ik zo vreselijk bang geweest en de enige reactie die mijn lichaam weet te vertonen is: huilen, heel hard huilen, ook als na een seconde of twee alles goed blijkt. F leeft. De baby ook. Beiden kan ik nauwelijks zien door al dat tranengeweld.

Ook de baby huilt, ze wordt op de borst van haar moeder gelegd. Ik veeg mijn wangen droog, meteen worden ze weer nat. Op het gezicht van F lijkt alle pijn van het afgelopen etmaal plaatsgemaakt te hebben voor pure verbazing: ‘Is ze er al?’

Ja, ze is er.