De recensent gerecenseerd (1)

Arjan Peters
Arjan Peters buigt zich met vermoeid gezicht over een boekje van 120 pagina’s

De nieuwe Oek de Jong, Pier en Oceaan, heb ik nog niet gelezen. Door de uitgever aangekondigd als De Jongs ‘magnum opus’, verschijnt de roman tien jaar na zijn laatste grote werk, Hokwerda’s kind. Grote interviews in Vrij Nederland en NRC.

In de Volkskrant, vandaag, maakt Arjan Peters het boek met de grond gelijk.

Nogmaals, ik heb het boek niet gelezen, maar ik krijg een heel ongemakkelijk gevoel van die recensie. Inderdaad, de ruimte in een krant is beperkt. Maar een roman van ruim 800 pagina’s, waar vele jaren aan is geschreven, bespreken in vier kolommetjes van nog geen halve paginalengte? En afdoen met zinnetjes als: ‘Alleen kénden we dit verhaal al’, en de constatering dat de schrijver ‘geen steek verder komt’?

Want dat is blijkbaar het probleem. De eerste anderhalve kolom van zijn recensie besteedt Peters aan parallelen tussen De Jongs eerste roman Opwaaiende zomerjurken en het nieuwe boek. Het lijkt mij geen zonde dat een schrijver zijn vaste thema’s en motieven telkens opnieuw behandelt – maar Peters suggereert dat er niets veranderd is in al die jaren, en dat dat niet deugt.

‘Waarom doet Oek de Jong dit?’ vraagt de recensent zich af, maar een oprechte poging tot een antwoord op die vraag te komen doet hij niet. Hij vindt het boek vooral heel erg traag (‘een bezoeking’). Hij houdt het bijna niet vol (‘toen ik, met de tong op de schoenen, pagina 786 had bereikt…’). Mjah… Prousts À la recherche du temps perdu was voor Peters vast ook een hele zit.

Maar de taal dan? De bij Oek de Jong altijd zinderende, erotische taal? In een bijzin lezen we: ‘de stoffige taal doet denken aan Swiebertje (een pak slaag “dat hem zou heugen”, “gekheid maken”)’. Maar Arjan, het boek speelt in het Nederland van de jaren vijftig en zestig. Swiebertje-tijd. Zou het misschien zo kunnen zijn dat de schrijver die taal met opzet hanteert?

We worden niet wijzer. In het Volkskrant-archief maar eens gezocht naar een recensie van De Jongs vorige roman, Hokwerda’s kind. Hé, da’s toevallig. Ook van Arjan Peters. Gepubliceerd op 25 oktober 2002. En wat schrijft-ie? Het boek gaat over personages die niet ‘typisch De Jong’ zijn. We mogen volgens Peters spreken van ‘een wending in Oek de Jongs oeuvre’. Hè? Dus als het meer van hetzelfde is, is het niet goed, en als er een nieuwe weg wordt ingeslagen, ook niet? Want ook Hokwerda’s kind is volgens Peters een gedrocht.

Misschien is Pier en Oceaan inderdaad een verschrikkelijk saai en langdradig kutboek. Maar over Hokwerda’s kind kan ik meepraten. Nergens heeft Arjan Peters het over de krachtige beelden die De Jong oproept, nergens gaat het over zijn subtiele psychologie, over het haarfijne inzicht in de irrationaliteit van veel menselijk gedrag.

Arjan Peters’ gedrag is niet zo irrationeel. Hier hebben we een recensent die elke week boeken moet recenseren voor hetzelfde lousy loontje. Zit er verdomme opeens een pil van 800 pagina’s tussen! Waar iedereen bij voorbaat al enthousiast over is! Nee, laten we dan lekker de kont tegen de krib gooien en die overschatte pleefiguur eens flink door het slijk halen. Zorgvuldig lezen? Sodemieter op, daar heb ik geen tijd voor, hoor. Het te bespreken boek voor volgende week ligt al op de deurmat. Een magnum opus? Mag ik dat zelf even bepalen? Wie is hier nou helemaal de recensent?!

Dit zaakje stinkt.