Vreemde ideeën

Fabian Stolk
Fabian Stolk

Kritische kanttekeningen plaatsen bij boekrecensies, zoals ik onlangs deed naar aanleiding van een Volkskrant-recensie van de nieuwe Oek de Jong?

Foei, dat hoort een schrijver niet te doen! Dat voorrecht is aan recensenten zelf en aan academici voorbehouden. Aan Fabian Stolk bijvoorbeeld, docent Moderne Nederlandse Letterkunde in Utrecht. Stolk heeft een meerdelige blog-cyclus nodig om Anton de Goede (van de VPRO) en mij (van mezelf) op onze plaats te zetten. En Fleur Speet, recensent bij het Financieel Dagblad, schrijft naar aanleiding van Stolks cyclus op haar Facebookpagina: ‘Anton de Goede en Jamal Ouariachi houden er vreemde ideeen op na’.

Voordat ik mij ergens in een donker hoekje diep ga liggen schamen na deze genadeloze afstraffing door de professionals, wilde ik graag nog even twee dingetjes fluisteren.

Dingetje 1: in een blogpost waar ik heus om heb gelachen, introduceert Fabian Stolk de ‘Ouariachi-recensiequotiënt’. Aanleiding: ik vond (en vind) dat een langverwacht en omvangrijk boek een uitgebreide recensie verdient. Het is een kenmerk van de autist een taaluiting letterlijk op te vatten die een ander niet letterlijk bedoelt. Dus sloeg Stolk aan het rekenen (‘aantal bladzijden plus aantal jaren werk, gedeeld door aantal woorden van de recensie’).

Als u uitgelachen bent, heb ik een vraag: begrijpt de autist werkelijk niet dat je alleen al om de compositie, structuur en verhaallijn van een dik boek aan de recensielezer duidelijk te maken, méér ruimte nodig hebt dan in het geval van een dun boek? Gelooft hij werkelijk dat je de stijl van een ruim 800 pagina’s tellende roman goed kunt samenvatten met een sneer in een bijzin? Het antwoord geeft Stolk zelf in een blogpost (de man blogt wat af) waarin ook hij een poging doet Pier en oceaan van Oek de Jong te recenseren (waarover dadelijk meer): hij heeft daar veel woorden en veel citaten voor nodig. Precies, dat bedoel ik dus, Fabian.

Is het een ‘vreemd idee’ (Fleur Speet) dat een ‘belangrijk’ boek veel ruimte krijgt? Wedervraag: wie bepaalt of een boek belangrijk is? Nou, de Volkskrant zelf bijvoorbeeld. Enkele dagen voor verschijnen van Pier en oceaan wijdde de krant een twee pagina’s vullend ‘profiel’ aan Oek de Jong. Twee pagina’s vol tweedehands geleuter. Van die ruimte had best wat naar een uitgebreidere recensie gekund…

Dingetje 2: Stolk vindt het schamel van mij dat ik Pier en oceaan niet heb gelezen. Dat is een beetje dom van Stolk. Ik bekritiseerde namelijk niet dat boek, maar de recensie van Arjan Peters. Recensies, beste Fabian, zijn in eerste instantie bedoeld voor mensen die een boek nog niet hebben gelezen. Op basis van de argumenten van de recensent kan de lezer dan besluiten het boek wel of niet te kopen. De beruchte recensie van Peters was naar mijn idee slecht beargumenteerd, zijn literaire visie kwam bijzonder inconsequent over, en bovendien was zijn stuk geschreven met zoveel opzichtige lust om Oek de Jong (‘oeke-tjoek’) te vernederen, dat we eerder te maken leken te hebben met een afrekening in het literaire circuit, dan met een recensent die onderbouwde waarom een boek zijns inziens niet geslaagd was.

Het kan trouwens altijd een graadje dommer. Stolk heeft, zoals ik hierboven al even aanstipte, zelf ook een bespreking van Pier en oceaan bij elkaar geblogd. Die bespreking begint hij met de woorden: ‘Laat ik er vooraf geen geheim van maken dat ik de roman niet ten einde toe gelezen heb.’

Pardon? Mij een veeg uit de pan geven en dan ondertussen zelf je huiswerk niet afgemaakt hebben? Op de eerder genoemde Facebookpagina van Fleur Speet verweert Stolk zich: ‘Al ben ik verder gekomen dan Ouariachi. En: het is geen recensie, maar een blogpost.’

Ah, een blogpost is geen recensie, al grapt Stolk op het eind van zijn niet-recensie dat het met zijn Ouariachi-recensiequotiënt wel goed zit in die niet-recensie – begrijpt u nog iets van die man?

Stolk, weer elders: ‘Misschien ben ik wat te welwillend als Peterslezer.’

Inderdaad, het mag best wat kritischer. Om je op gang te helpen, Fabian, hier een mooi stuk van wijlen Doeschka Meijsing uit 1998, over het vreemde fenomeen dat wij Arjan Peters noemen. Je zult het als letterkundige Peters-exegeet wel kennen, maar het kan nooit kwaad het geheugen eens op te frissen. Weet je wat? Ga ik ondertussen Pier en oceaan lezen. Deal?

De recensent gerecenseerd (1)

Arjan Peters
Arjan Peters buigt zich met vermoeid gezicht over een boekje van 120 pagina’s

De nieuwe Oek de Jong, Pier en Oceaan, heb ik nog niet gelezen. Door de uitgever aangekondigd als De Jongs ‘magnum opus’, verschijnt de roman tien jaar na zijn laatste grote werk, Hokwerda’s kind. Grote interviews in Vrij Nederland en NRC.

In de Volkskrant, vandaag, maakt Arjan Peters het boek met de grond gelijk.

Nogmaals, ik heb het boek niet gelezen, maar ik krijg een heel ongemakkelijk gevoel van die recensie. Inderdaad, de ruimte in een krant is beperkt. Maar een roman van ruim 800 pagina’s, waar vele jaren aan is geschreven, bespreken in vier kolommetjes van nog geen halve paginalengte? En afdoen met zinnetjes als: ‘Alleen kénden we dit verhaal al’, en de constatering dat de schrijver ‘geen steek verder komt’?

Want dat is blijkbaar het probleem. De eerste anderhalve kolom van zijn recensie besteedt Peters aan parallelen tussen De Jongs eerste roman Opwaaiende zomerjurken en het nieuwe boek. Het lijkt mij geen zonde dat een schrijver zijn vaste thema’s en motieven telkens opnieuw behandelt – maar Peters suggereert dat er niets veranderd is in al die jaren, en dat dat niet deugt.

‘Waarom doet Oek de Jong dit?’ vraagt de recensent zich af, maar een oprechte poging tot een antwoord op die vraag te komen doet hij niet. Hij vindt het boek vooral heel erg traag (‘een bezoeking’). Hij houdt het bijna niet vol (‘toen ik, met de tong op de schoenen, pagina 786 had bereikt…’). Mjah… Prousts À la recherche du temps perdu was voor Peters vast ook een hele zit.

Maar de taal dan? De bij Oek de Jong altijd zinderende, erotische taal? In een bijzin lezen we: ‘de stoffige taal doet denken aan Swiebertje (een pak slaag “dat hem zou heugen”, “gekheid maken”)’. Maar Arjan, het boek speelt in het Nederland van de jaren vijftig en zestig. Swiebertje-tijd. Zou het misschien zo kunnen zijn dat de schrijver die taal met opzet hanteert?

We worden niet wijzer. In het Volkskrant-archief maar eens gezocht naar een recensie van De Jongs vorige roman, Hokwerda’s kind. Hé, da’s toevallig. Ook van Arjan Peters. Gepubliceerd op 25 oktober 2002. En wat schrijft-ie? Het boek gaat over personages die niet ‘typisch De Jong’ zijn. We mogen volgens Peters spreken van ‘een wending in Oek de Jongs oeuvre’. Hè? Dus als het meer van hetzelfde is, is het niet goed, en als er een nieuwe weg wordt ingeslagen, ook niet? Want ook Hokwerda’s kind is volgens Peters een gedrocht.

Misschien is Pier en Oceaan inderdaad een verschrikkelijk saai en langdradig kutboek. Maar over Hokwerda’s kind kan ik meepraten. Nergens heeft Arjan Peters het over de krachtige beelden die De Jong oproept, nergens gaat het over zijn subtiele psychologie, over het haarfijne inzicht in de irrationaliteit van veel menselijk gedrag.

Arjan Peters’ gedrag is niet zo irrationeel. Hier hebben we een recensent die elke week boeken moet recenseren voor hetzelfde lousy loontje. Zit er verdomme opeens een pil van 800 pagina’s tussen! Waar iedereen bij voorbaat al enthousiast over is! Nee, laten we dan lekker de kont tegen de krib gooien en die overschatte pleefiguur eens flink door het slijk halen. Zorgvuldig lezen? Sodemieter op, daar heb ik geen tijd voor, hoor. Het te bespreken boek voor volgende week ligt al op de deurmat. Een magnum opus? Mag ik dat zelf even bepalen? Wie is hier nou helemaal de recensent?!

Dit zaakje stinkt.